Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 13:

Artikel 31:

Toetreding en uittreding

Onderdeel van Milieusamenwerking en Afvalverwerking Regio Nijmegen

1.. Het bestuur van een gemeente, dat wenst toe te treden of uit te treden richt het verzoek ter zake aan het algemeen bestuur. 2. . Het algemeen bestuur zendt het verzoek als bedoeld in het eerste lid binnen drie maanden door aan de besturen van de deelnemende gemeenten, onder overlegging van zijn advies omtrent de toetreding respectievelijk uittreding en de eventueel daaraan te verbinden voorwaarden. 3. . Toetreding respectievelijk uittreding vindt plaats indien de besturen van de meerderheid van de deelnemende gemeenten daarmee instemmen. 4. . Aan de toetreding respectievelijk uittreding kunnen bij de in het tweede lid bedoelde adviezen kaders worden verbonden die worden uitgewerkt in een toe- of uittredingsregeling en worden vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met betreffende gemeente. de opzegtermijn voor uitreding bedraagt minimaal 1 jaar. De uittreding vindt plaats met ingang van 1 januari. de opzegtermijn start op het moment dat de vaststellingsovereenkomst is afgesloten. de hoogte van de uittredingssom wordt vastgesteld door het algemeen bestuur waarvoor een 2/3 meerderheid van het aantal uitgebrachte stemmen nodig is. Bij uittreden worden in elk geval onderstaande zaken vastgelegd: de uittredingskosten zijn de kosten die te maken hebben met (de afbouw van) de overcapaciteit die kan ontstaan in de personele en de materiële sfeer. Basis voor de uittredingskostenberekening zijn de gemiddelde realisatiecijfers (afbouw bedrijfsvoeringorganisatie, aangegane verplichtingen) van de drie jaren voorafgaand aan het jaar waarin het voornemen tot uittreden kenbaar wordt gemaakt. De kosten die niet direct aan de uittredende partij kunnen worden toegerekend, worden berekend door totalen per kostensoort naar rato te berekenen. Middelen die onderdeel uitmaken van een (algemene) reserve, worden naar rato in mindering gebracht op de te betalen uittredingskosten. Voor het bepalen van de kostenverdeelsleutel wordt aangesloten bij de kostenverdeelsleutel uit de begroting (art. 24.1). de hoogte van uittredingssom wordt bepaald op de kosten die het samenwerkingsverband moet maken om de werkzaamheden uit te kunnen blijven voeren voor de deelnemende gemeenten zonder de uittredende gemeente. Tot een maximumbedrag van vijf jaar de inbreng van de uittredende gemeente in het jaar dat het besluit tot uittreding werd genomen. de financiële consequenties worden op verzoek van het dagelijks bestuur door een onafhankelijke deskundige in beeld gebracht. Dit advies wordt bij het bepalen van de hoogte van de uittredingskosten betrokken. Over de schade die ARN lijdt als gevolg van de uittreding worden door de uittredende partij, de MARN en ARN afspraken gemaakt. Op verzoek van het dagelijks bestuur kan hierbij een onafhankelijke deskundige betrokken worden. het algemeen bestuur stelt een uittredingsregeling vast waarin bovenstaande kaders verder worden uitgewerkt. het algemeen bestuur stelt een toetredingsregeling vast. 5. . De uitgewerkte toe- of uittredingsregeling wordt vastgesteld in het algemeen bestuur. Voorafgaand aan de vaststelling wordt een zienswijze aan de raden van de deelnemende gemeenten gevraagd . 6. . De toetreding respectievelijk uittreding gaat in op 1 januari van het jaar, volgende op het jaar waarin is voldaan aan de vereisten genoemd in artikel 9 van de Wet gemeenschappelijke regelingen. 7. . Binnen deze periode wordt de gemeenschappelijke regeling gewijzigd door alle deelnemende bestuursorganen. Een regeling kan worden gewijzigd met een meerderheid van ten minste 2/3 van het aantal uitgebrachte stemmen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel