Op 13 december 2006 hebben Provinciale Staten (PS) het Streekplan Fryslân vastgesteld. Het streekplan geeft het ruimtelijk beleid van de provincie weer. Centraal uitgangspunt is een ondeelbaar Fryslân waarbij stad en platteland elkaar nodig hebben en elkaar ondersteunen. In het Streekplan wordt gesteld dat het landelijk gebied primair is bestemd voor functies die een ruimtelijk-functionele relatie met het landelijk gebied hebben. Het gaat daarbij vooral om de functies landbouw, recreatie, natuur en waterberging.
Woningbouw dient geconcenteerd te worden in bundelingsgebieden van de stedelijke centra. Ter beperking van het toekomstige ruimtebeslag van wonen worden nieuwe woningen zoveel mogelijk in het bestaande bebouwde gebied van kernen gebouwd. Ingezet wordt op een passend hergebruik van vrijkomende (agrarische) bebouwing om daarmee beeldbepalende gebouwen in het landschap te kunnen behouden, het verwijderen van beeldverstorende bebouwing, het behouden en versterken van de ruimtelijke kwaliteit van bebouwing en omgeving en het behoud van de sociaaleconomische vitaliteit van het platteland. Door het toevoegen van passende, streekeigen woon- en werkfuncties wordt gestreefd naar een betere ruimtelijke kwaliteit van bestaande bebouwingslinten in het landelijke gebied.
Naast mogelijkheden voor bedrijfsvestiging via kwaliteitsarrangementen, is vestiging van bedrijven en voorzieningen in het landelijk gebied mogelijk wanneer dat om functionele redenen nodig is. Voor bestaande bedrijven in het landelijk gebied, die niet aan dat landelijk gebied zijn gebonden, is in beperkte mate ruimte voor uitbreiding. Daarbij is wel voorwaarde dat de nieuwe (bedrijfs)situatie nog past in de omgeving. Ook aan agrarische bedrijven verwante (collectieve) voorzieningen, zoals mestverwerking en –bewerking, mestvergisting en houtvergassing kunnen een passende plek in het landelijk gebied krijgen, wanneer deze voornamelijk ten dienste staan van of verband houden met de bedrijfseigen agrarische activiteiten.
In het veenweidegebied zet de provincie in op behoud en versterking van de landbouwfunctie als belangrijke drager. Daarbij wordt gestreefd naar voldoende ruimte voor ontwikkeling van agrarische bedrijven en voor perceelsverruiming, zodanig dat een efficiënte agrarische bedrijfsvoering mogelijk is èn rekening gehouden wordt met landschappelijke kernkwaliteiten. De ruimtelijke consequenties van schaalvergroting en intensivering in de landbouw zijn in beginsel te combineren met landschappelijke kernkwaliteiten. Wel kan bij bepaalde landschapstypen spanning optreden met kernkwaliteiten van het landschap (zoals de woudontginningen). De provincie ziet hier kansen voor verbreding van agrarische activiteiten met recreatie, natuur- en landschapsbeheer. Dit naast het naar aard en schaal vergroten van percelen, zodanig dat het land goed bewerkt kan worden.
Hoofdstuk 2 › Paragraaf 2.1
Artikel 2.1.1
Streekplan 2007
Onderdeel van Harmonisatie bestemmingsplannen Buitengebied (gemeentelijke herindeling 2014)