Een ieder die in het kader van het Besluit bodemkwaliteit grond of baggerspecie toepast, moet dit verplicht voorafgaand aan de toepassing melden bij het bevoegde gezag. In principe moeten alle toepassingen worden gemeld, dus ook bijvoorbeeld de toepassing van schone grond of tijdelijke opslag van grond. De eisen voor schone grond zijn wel lichter. De toepassingslocatie van een werk van meer dan 50 m³ schone grond hoeft slechts eenmalig te worden gemeld.
De meldingsplicht kent een aantal uitzonderingen. De volgende toepassingen hoeven niet te worden gemeld:
Het verspreiden van baggerspecie op het aangrenzend perceel;
Het toepassen van grond en ingedroogde baggerspecie door particulieren anders dan in de uitoefening van beroep of bedrijf. Dit onderscheid geldt omdat het bij particulieren vaak gaat om relatief kleine partijen grond;
Het toepassen van grond of ingedroogde baggerspecie binnen één vestigingslocatie van een landbouwbedrijf. Voorwaarde is dat deze afkomstig is uit de bodem van dezelfde vestigingslocatie en wordt toegepast op landbouwpercelen met een vergelijkbare teelt. Het is bijvoorbeeld niet gewenst dat tarragrond en grond uit spoelbassins van bollentelers op landbodems met een andersoortige teelt terecht komen;
Het toepassen van schone grond en ingedroogde baggerspecie in hoeveelheden kleiner dan 50 m³.
Het feit dat een bepaald soort toepassing is vrijgesteld van de meldingsverplichting betekent uiteraard nog steeds dat de toepassing aantoonbaar moet voldoen aan de toepassingsvereisten van het Besluit bodemkwaliteit (zie hiervoor de generieke of gebiedsspecifieke toepassingskaart). De bewijsmiddelen waaruit blijkt dat de grond schoon is, dienen zorgvuldig te worden bewaard door de toepasser.
Hoofdstuk 5 › Paragraaf 5.1
Artikel 5.1.1
Wie moet melden en welke toepassing moet worden gemeld
Onderdeel van Actualisatie bodemkwaliteitskaart en nota bodembeheer gemeente Heerenveen