Naar hoofdinhoud

Artikel 6.2.2

Draagkracht naar inkomen

Onderdeel van Nadere regels sociaal domein Alphen aan den Rijn

Artikel 34. Draagkrachtperiode 1. De draagkracht wordt vastgesteld voor een periode van twaalf maanden. 2. Als er sprake is van toekenning van periodieke bijzondere bijstand kan van lid 1 worden afgeweken, waarbij het college de draagkrachtperiode gelijkstelt aan de toekenningsperiode, met een minimum van 3 maanden en een maximum van 18 maanden. 3. De ingangsdatum van de draagkrachtperiode is de eerste dag van de maand waarin de aanvraag op basis van artikel 35 van de Participatiewet ingediend wordt of een voorziening als bedoeld in artikel 12 van de verordening toegekend wordt. 4. Als bijzondere bijstand met terugwerkende kracht verleend wordt, dan kan in afwijking van lid 3, de ingangsdatum van de draagkrachtperiode bepaald worden op de eerste dag van de maand waarin de kosten gemaakt zijn. Artikel 35. Berekening draagkrachtruimte 1. Bij de berekening van de draagkracht wordt uitgegaan van het netto inkomen per maand, exclusief vakantietoeslag, keer twaalf. 2. Als de belanghebbende en zijn eventuele partner een vast inkomen hebben, dan wordt bij de berekening uitgegaan van het meest recente maandinkomen. Als de belanghebbende een gezamenlijke huishouding voert, dan gaat de gemeente uit van het gezamenlijk inkomen van belanghebbende en diens partner. 3. Als de belanghebbende en/of zijn eventuele partner over een wisselend inkomen beschikken, wordt uitgegaan van het gemiddelde inkomen over de afgelopen drie maanden voorafgaand aan de datum van de aanvraag bijzondere bijstand dan wel het toekennen van de voorziening. 4. Middelen die niet tot het inkomen gerekend worden op basis van artikel 31 lid 2 Participatiewet en niet voor de draagkrachtberekening meegenomen worden zijn: a. de oudedagsvoorziening als bedoeld in artikel 33 lid 5 Participatiewet en; b. de individuele inkomenstoeslag als bedoeld in artikel 36 van de Participatiewet. 5. De draagkrachtruimte wordt vastgesteld door op het inkomen het volgende in mindering te brengen: a. 110% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5 sub c van de Participatiewet onder aftrek van de vakantietoeslag als genoemd in artikel 19 lid 3 van de Participatiewet en; b. eventuele buitengewone lasten die gelet op de persoonlijke situatie van de belanghebbende noodzakelijk zijn, waarvoor geen beroep gedaan kan worden op een voorliggende voorziening en geen bijzondere bijstand verleend wordt. 6. Onder de buitengewone lasten genoemd in lid 5 onder b wordt in ieder geval verstaan: a. de gemiste huurtoeslag en zorgtoeslag ten gevolge van het inkomen. b. het boetebedrag van de bestuurlijke premie CAK. c. het ingehouden bedrag executoriaal of vereenvoudigd beslag. d. De CAK bijdrage bij verblijf in een instelling. Artikel 36. Vaststelling draagkracht 1. De draagkracht wordt vastgesteld op 35% van de draagkrachtruimte. 2. Als bijzondere bijstand aangevraagd wordt voor de algemene kosten van het bestaan, dan is de draagkracht 100%. 3. Algemene kosten van het bestaan als bedoeld in lid 2 zijn kosten waarvan men gewoonlijk geacht wordt deze zelf te betalen, ook vanuit een inkomen op bijstandsniveau. Onder deze kosten wordt in ieder geval verstaan: woonkosten en inrichtingskosten. 4. Vervallen. 5. Als sprake is van periodieke bijzondere bijstand wordt de draagkracht maandelijks verrekend. 6. Bij toekenning van periodieke en incidentele bijzondere bijstand wordt de draagkracht eerst verrekend met de periodieke kosten, blijft er draagkracht over wordt deze verrekend met de incidentele bijzondere bijstand. 7. De draagkracht kan bij periodieke bijzondere bijstand in de volgende situaties worden aangepast: a. als het inkomen met tenminste 10% wijzigt; b. bij wijziging van het vermogen, de woon- en/of gezinssituatie welke van invloed is op de draagkrachtberekening.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel