Voor individuele bijzondere bijstand komt in aanmerking de belanghebbende met:
een minimuminkomen en een bescheiden vermogen of;
een inkomen boven het minimuminkomen en bescheiden vermogen voor zover de kosten zijn draagkracht te boven gaan.
Voor de draagkracht bij bijzondere bijstand wordt meegenomen, tenzij hiervan in deze beleidsregels uitdrukkelijk wordt afgeweken:
30% van het inkomen boven het minimuminkomen, en;
het volledige vermogen boven het bescheiden vermogen.
Bij de berekening van de draagkracht wordt de eventuele individuele inkomenstoeslag van belanghebbende buiten beschouwing gelaten.
Bij de berekening voor het vaststellen van het vermogen wordt 1 maand van de toepasselijke bijstandsnorm in mindering gebracht.
De draagkracht wordt op nihil gesteld:
als er sprake is van een minnelijke schuldenregeling waarbij de afloscapaciteit, berekend conform de ReCoFa-methode voor de schuldeisers reeds gereserveerd of afbetaald wordt; of
gedurende een WSNP-traject.
De draagkracht wordt berekend voor een periode van maximaal twaalf maanden vanaf de eerste dag van de maand waarin de eerste kosten zijn gemaakt of de maand waarin de aanvraag is gedaan.
Bij een wisselend inkomen wordt de draagkracht berekend aan de hand van het gemiddelde inkomen, berekend over de drie maanden voorafgaand aan de maand waarin de eerste kosten zijn gemaakt.
In afwijking van het zesde lid wordt voor belanghebbenden, die de AOW leeftijd hebben de draagkracht eenmalig vastgesteld, onder de voorwaarde dat deze personen wijzigingen in het inkomen en vermogen doorgeven.
In afwijking van het zesde lid wordt voor belanghebbenden, die een Wajong uitkering hebben of WAO uitkering hebben en 80% tot en met 100% arbeidsongeschikt zijn de draagkracht voor twee jaar vastgesteld, onder de voorwaarde dat wijzigingen in de het inkomen en vermogen worden doorgegeven.
Periodieke bijzondere bijstand wordt toegekend voor een periode van maximaal 12 maanden.
In afwijking van het zesde lid kan het College de draagkracht voor bewindvoering vaststellen voor een periode van maximaal 5 jaar als:
sprake is van schuldenbewind; of van het ontbreken van draagkracht gedurende een onderbewindstelling; en
de komende vijf jaar geen uitzicht is op inkomensverbetering; en
de bewindvoerder is aangesloten bij een branchevereniging voor professionele bewindvoerders. De draagkrachtperiode eindigt uiterlijk op de einddatum die genoemd in de beschikking bewindvoering.
In afwijking van het tiende lid kan periodieke bijzondere bijstand voor bewindvoering worden toegekend voor een periode van maximaal 60 maanden.
De berekende jaardraagkracht wordt volledig aangewend.
Het ontbreken van (voldoende) reserveringsruimte, in verband met vrijwillige aflossing van schulden, wordt niet aangemerkt als een bijzondere omstandigheid, op grond waarvan bijzondere bijstand kan worden verstrekt.
Bij de vaststelling van de hoogte van de bijzondere bijstand wordt uitgegaan van de goedkoopst mogelijke adequate voorziening.
Artikel 3