Een leidinggevende, niet zijnde een dagleidinggevende, mag niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn. Wat slecht levensgedrag is wordt deels ingevuld door de zedelijkheidseisen uit het Alcoholbesluit. Daarnaast kan de burgemeester nog een eigen beoordeling uitvoeren. Bij deze nadere beoordeling kijkt de burgemeester naar eerder getoond gedrag wat in het belang van veiligheid, openbare orde en het woon- en leefklimaat niet past bij de verantwoordelijkheid die een leidinggevende over een horecabedrijf heeft. Gekeken wordt dus naar gedragen die relevant zijn voor het functioneren van de leidinggevende, gedragen die naar hun aard de vrees rechtvaardigen dat de aanwezigheid van de leidinggevende als verantwoordelijke een bedreiging vormt voor de veiligheid, openbare orde en het woon- en leefklimaat in de buurt van het horecabedrijf. In ieder geval de volgende categorieën van gedragen zijn relevant, omdat deze gedragingen de veiligheid van bezoekers en omwonenden, de openbare orde in en buiten het horecabedrijf en het woon- en leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf kunnen raken:
alcohol gerelateerd feiten, waaronder in ieder geval wordt begrepen: rijden onder invloed, openbaar dronkenschap, openlijk en/of hinderlijk gebruik van alcohol en overtreding van de Alcoholwet;
geweldsdelicten en vernieling, waaronder in ieder geval wordt begrepen: mishandeling, moord/doodslag, overige misdrijven tegen het leven, openlijke geweldpleging tegen goederen of personen, vernieling/vandalisme/baldadigheid en brandstichting;
drugs gerelateerde feiten, waaronder in ieder geval wordt begrepen: bezit, handel en vervaardigen van hard- en softdrugs, openlijk of hinderlijk gebruik van drugs, rijden onder invloed van drugs of medicijnen en dumpen drugsafval (zowel gerelateerd aan de Opiumwet als gerelateerd aan regels omtrent onrechtmatig gebruik van of handel in geneesmiddelen of genotmiddelen);
wapens en munitie, waaronder in ieder geval wordt begrepen: bezit , handel en/of gebruik van wapens of munitie en betrokkenheid bij schiet- en steekincidenten;
vermogensdelicten, waaronder in ieder geval wordt begrepen: verduistering, heling, chantage of afpersing, witwassen, fraude (sociale zekerheidsfraude en fraude met arbeidsgerelateerde subsidies), vals geld aanmaken of vals geld uitgeven, oplichting en niet nakomen fiscale verplichtingen;
zedendelicten;
mensenhandel, waaronder in ieder geval wordt begrepen: gijzeling of ontvoering, mensenhandel, arbeidsuitbuiting en mensensmokkel;
openbare orde en APV, waaronder in ieder geval wordt begrepen: hinderlijk gedrag, samenscholing/ongeregeldheden/ordeverstoring, afsteken vuurwerk op verboden tijden, geluidshinder en openbare orde sluiting;
niet meewerken met de politie en toezichthouders en het niet opvolgen van rechtelijke uitspraken;
gedragingen waaruit blijkt dat tijdens de exploitatie gevreesd moet worden dat aanwijzingen van politie of toezichthouders niet nageleefd zullen worden (bijvoorbeeld negeren bevel ambtenaar in functie, belediging ambtenaar in functie);
valsheid in geschrift, zowel kennelijk gepleegd in de uitoefening van een horecabedrijf dan wel ter verkrijging van een vergunning;
gedragingen die hebben geleid tot opgelegde bestuurlijke of handhavingsmaatregelen met betrekking tot een horecabedrijf, tenzij deze maatregelen op geen enkele wijze aan de te beoordelen persoon (in bestuursrechtelijke zin) zijn te verwijten;
overige gedragen, zoals diefstal, overval, zakkenrollerij, straatroof, betrokkenheid bij ordeverstoring, discriminatie, belediging, bedreiging, stalking, intimidatie, deelname aan een criminele organisatie of verboden rechtspersoon, misdrijven op basis van de Wet op de Kansspelen.
Niet alleen strafrechtelijke veroordelingen zijn hierbij van belang, ook een lopend strafonderzoek en bestuurlijke of fiscale feiten tellen mee. Ook naar gedragingen in privé-tijd mogen meegewogen worden, mits deze relevant zijn. Een toets in het kader van de integriteit kan niet gezien worden als beoordeling in het kader van slecht levensgedrag. Andere dan de hiervoor genoemde (categorieën van) gedragingen worden alleen meegewogen bij de beoordeling, voor zover daaruit een zeker patroon ter bevestiging van het slechte levensgedrag valt op te maken. Het moet daarbij gaan om een recidiverend karakter van bepaalde gedragingen, dan wel het schenden van regels in algemene zin al dan niet gedurende een langere periode, waardoor de betrokken gedragingen niet meer op zichzelf staan, maar in combinatie voldoende ernstig zijn om te kunnen worden betrokken bij de beoordeling.
In beginsel worden bij de beoordeling enkel gedragingen meegewogen die in een periode van 5 jaar voorafgaand aan het beoordelingsmoment hebben plaatsgevonden. Als er binnen de periode van 5 jaar sprake is van relevante gedragingen dan kunnen ook gedragingen die zich hebben voorgedaan buiten de 5-jaarperiode worden betrokken bij de beoordeling van het levensgedrag. Deze oudere gedragingen kunnen dan een duiding geven, dan wel blijk geven, van een patroon van gedragingen gedurende een langere periode. Als er sprake is van een dergelijk patroon kunnen ook andere gedragingen dan de eerder benoemde categorieën duiding geven en een patroon ondersteunen. Als er in de 5 jaar voorafgaand aan het beoordelingsmoment geen gedragingen zijn gebleken, dan wordt de betrokkene geacht te voldoen aan de eis omtrent het levensgedrag en wordt niet toegekomen aan een weging van eventueel oudere gedragingen.
Wanneer er sprake is van slecht levensgedrag wordt onderbouwd waarom daar sprake van is. In de onderbouwing wordt in ieder geval ingegaan op de aannemelijkheid dat de gedraging plaats heeft gevonden, de relevantie van de gedraging en waarom de gedraging een bedreiging vormt voor de veiligheid, openbare orde en het woon- en leefklimaat in de buurt van het horecabedrijf.
Een leidinggevende die van slecht levensgedrag is mag niet als leidinggevende optreden. Als de leidinggevende ook de horecaondernemer is wordt de alcoholvergunning geweigerd. Als de leidinggevende niet ook de horecaondernemer is wordt geweigerd de leidinggevende bij te schrijven op het aanhangsel.
Ook voor het verkrijgen van een exploitatievergunning op basis artikel 2:28 van de APV geldt de voorwaarden dat de exploitant of de leidinggevende niet in enig opzicht van slecht levensgedrag mag zijn. Voor wat betreft de beoordeling bij een exploitatievergunning wordt eenzelfde beoordeling, dus zedelijkheidseisen en nadere beoordeling, uitgevoerd als vereist is op basis van de Alcoholwet en het Alcoholbesluit.