Bij het uitzetten van middelen gelden de volgende uitgangspunten:
Met betrekking tot uitzettingen worden de bepalingen van de Wet Fido gevolgd.
Het verstrekken van geldleningen behoort niet tot de primaire kerntaken van de gemeente. Voor het verlenen van garanties opereert de gemeente risicomijdend. Kan een aanvrager zich wenden tot een bankinstelling en/of een waarborgfonds, dan dient zij dit ook te doen.
In uitzonderingsgevallen kan een verzoek gericht worden aan het gemeentebestuur. De gemeente hanteert bij deze verzoeken de volgende regels:
de voorwaarden voor het verstrekken van geldleningen dienen marktconform te zijn waarbij aansluiting wordt gezocht bij de voorwaarden van bankinstellingen en waarborgfondsen;
als een aanvrager een beroep kan doen op een waarborgfonds voor borgstelling is dit verplicht om eerst te doen;
valt de aanvraag buiten de reikwijdte van het waarborgfonds, dan kan de aanvrager terecht bij de gemeente.
een lening of garantie kan alleen uit hoofde van de publieke taak van de gemeente, als nader beschreven in art.3, worden verleend en er worden zoveel mogelijk zekerheden geëist;
om de risico’s van de gemeente te beperken, dient naast de vestiging van het recht van hypotheek indien sprake is van een onroerend goed ook een risicovoorziening gevormd te worden;
er dient een renteopslag van 0,5% gehanteerd te worden voor de jaarlijkse beheerskosten.
zowel bij het verstrekken van leningen als garanties moet worden vastgesteld of uit de verwachte liquiditeit/kasstroom de komende jaren rente en aflossing kan worden voldaan; - er moet worden vastgesteld op welke wijze en hoe frequent er gemonitord wordt, en ook welke stukken periodiek hiervoor aan de gemeente moeten worden overlegd;
de organisatie toont aan dat de lening zonder gemeentegarantie niet verstrekt wordt of leidt tot een te zware rentelast;
de looptijd van de lening afstemmen op de economische levensduur van het object waarvoor de lening of garantie wordt verstrekt;
de organisatie heeft de relevante verzekeringen aantoonbaar afgesloten;
bij garanties wordt er een maximale looptijd en aflossingswijze afgesproken om te voorkomen dat garanties een min of meer eeuwigdurend karakter krijgen.