Naar hoofdinhoud

Artikel 10

Weigeringsgronden

Onderdeel van Algemene subsidieverordening Opsterland 2024

1.. Onverminderd de artikelen 4:25, tweede lid, en 4:35 van de Awb, weigert het college de subsidie voor zover: de te subsidiëren activiteiten niet of niet in overwegende mate gericht zijn op de gemeente of haar ingezetenen of als ze onvoldoende ten goede komen aan de gemeente of haar ingezetenen; de te subsidiëren activiteiten niet verenigbaar zijn met het gemeentelijke beleid; de aanvrager doelstellingen beoogt of activiteiten zal ontplooien die in strijd zijn met wettelijke bepalingen, het algemeen belang of de openbare orde; als ernstig gevaar bestaat dat de subsidie mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen, te benutten of om strafbare feiten te plegen, zoals bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. 2.. Onverminderd het eerste lid kan het college de subsidie weigeren voor zover: door de aanvrager niet is aangetoond dat de subsidie noodzakelijk is voor het verrichten van de activiteiten waarvoor deze wordt gevraagd; de aanvraag voor subsidie betrekking heeft op partijpolitieke, godsdienstige, religieuze of levensbeschouwelijke activiteiten; de aanvrager ook zonder subsidie over voldoende gelden kan beschikken om de kosten van de activiteiten te dekken, uit eigen middelen of uit middelen van derden. 3.. Het college weigert een incidentele subsidie voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit waarvoor op grond van nadere regels subsidie kan worden verstrekt, of in het jaar voorafgaand aan de aanvraag kon worden verstrekt. 4.. Het college weigert een incidentele subsidie voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit die naar het oordeel van het college in het gemeentelijk beleid onvoldoende prioriteit heeft.

Rechtspraak bij dit artikel