**1..** Het college van burgemeester en wethouders van een gemeente die wenst uit te treden, richt na het verkrijgen van toestemming van de raad van die gemeente, een aangetekend verzoek daartoe aan het algemeen bestuur. De procedure voor uittreding vangt aan op de dag nadat het algemeen bestuur het besluit heeft ontvangen.
**2..** Ter voorbereiding op de besluitvorming van het algemeen bestuur, stelt het dagelijks bestuur een projectgroep samen die onder leiding van een onafhankelijke externe deskundige het concept-uittredingsplan voorbereid.
**3..** In het concept-uittredingsplan wordt, met inachtneming van het bepaalde in deze regeling, vastgelegd:
de gevolgen van de uittreding (oftewel, de financiële, juridische, personele en organisatorische consequenties);
de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan;
de voorwaarden voor uittreding;
de systematiek voor de berekening van de financiële gevolgen van de uittreding te betalen door de uittredende gemeente, en;
een voorlopige berekening van de financiële gevolgen van de uittreding te betalen door de uittredende gemeente, hierna te noemen: de voorlopige uittreedsom.
**4..** Het dagelijks bestuur geeft een onafhankelijke externe financieel deskundige opdracht om het door de projectgroep voorbereide concept-uittredingsplan te toetsen, nadat voor de opdracht instemming is verkregen van de uittredende gemeente.
**5..** De kosten voor het inschakelen van een onafhankelijke externe financieel deskundige zijn voor rekening van de uittredende gemeente, waarbij het tarief van de deskundige in overeenstemming dient te zijn met hetgeen voor dit soort werkzaamheden in de desbetreffende adviesbranche gebruikelijk is.
**6..** Ten minste 8 maanden voorafgaand aan het moment van uittreding, stelt het algemeen bestuur het voorlopige uittredingsplan en de voorlopige uittreedsom vast. Het algemeen bestuur baseert de berekening van de voorlopige uittreedsom op de systematiek als bedoeld in lid 3 sub d en op de jaarrekening van het meest recent verstreken boekjaar.
**7..** Er zijn randvoorwaarden bij het bepalen van de voorlopige uittreedsom:
Bij het vaststellen van de hoogte van de uittredingssom door het algemeen bestuur is het uitgangspunt dat de uittredende partij de schade van het openbaar lichaam en de overblijvende deelnemers dient te vergoeden, die het rechtstreekse gevolg zijn van het uittreden uit de gemeenschappelijke regeling;
de schade dient, volgens de beginselen van behoorlijk bestuur, (cijfermatig) onderbouwd te worden;
ook dient deze schade over een redelijke periode berekend te worden: volgens vaste jurisprudentie is het daarbij redelijk een afbouwperiode van 5 jaar in acht te nemen;
onvoorziene omstandigheden, zoals de toekomstige liquidatie van de gemeenschappelijke regeling, mogen daarbij geen rol spelen;
er moet gekeken worden naar de concrete positie van de uittredende gemeente.
Vraagpunt daarbij is of de continuïteit van samenwerking binnen de gemeenschappelijk regeling direct in gevaar komt, of dat deze makkelijk te garanderen is door kleine aanpassingen;
er moet worden uitgegaan van de gebruikelijke begrotingssystematiek en feitelijke mogelijkheden voor het openbaar lichaam om door bezuiniging of sanering de schade te beperken;
bij bedrijfsactiviteiten met een marktwaarde kan in de schadeberekening ook een bedrag worden opgenomen voor het verlies aan goodwill;
wanneer het openbaar lichaam langlopende verplichtingen is aangegaan (bijvoorbeeld aanschaf van kapitaalgoederen) met het vooruitzicht op voortzetting van activiteiten in een bepaalde omvang, zal de schade door uittreding hoger kunnen uitvallen, dan wanneer er slechts sprake is van dienstverlenende capaciteit met hoofdzakelijk gehuurde middelen waarbij verplichtingen op korte termijn kunnen worden beëindigd; en
de raming en berekening van de kosten voor uittreding worden gebaseerd op de feiten en omstandigheden die bekend zijn tot aan het moment van de daadwerkelijke uittreding, tenzij de uittredende gemeente dan wel het algemeen bestuur kan aantonen dat de hoogte van de uittreedsom anders zou zijn bepaald doordat:
de wederpartij onjuiste inlichtingen heeft verstrekt, waarvan deze diende aan te nemen dat de hoogte van de uittreedsom anders zou luiden indien deze onjuiste inlichtingen niet zouden zijn verstrekt, en;
de wederpartij inlichtingen die hem op het moment van het bepalen van de uittreedsom bekend waren niet heeft verstrekt, terwijl de wederpartij redelijkerwijs had moeten aannemen dat deze inlichtingen van invloed zouden kunnen zijn op de bepaling van de hoogte van de uittreedsom.
**8..** De leden van het algemeen bestuur kunnen het uittredingsplan op de voor hen gebruikelijke wijze voor consultatie toezenden aan de raden van de deelnemende gemeenten. Daarnaast wordt de ondernemingsraad van Reestmond in de gelegenheid gesteld om advies uit te brengen over de personele en organisatorische gevolgen die voortvloeien uit het uittredingsplan, conform de bepalingen in de Wet op de Ondernemingsraden.
**9..** Uiterlijk 6 maanden voorafgaand aan het moment van uittreding, stelt het algemeen bestuur het definitieve uittredingsplan en uittreedsom vast.
**10..** Uittreding vindt niet eerder plaats dan op 31 december van het jaar volgend op het jaar waarin het besluit tot uittreding is genomen en de uittreding is gepubliceerd in de Staatscourant.