Voor de plaatsing, hoofdvorm, maatvoering en uitvoering van boerderijmolens gelden onderstaande kaders:
Algemeen
De landschappelijke en cultuurhistorische waarden blijven behouden;
Er wordt rekening gehouden met de landschappelijke kwaliteiten;
Er is sprake van een goede inpassing in het bestaande omgevingsbeeld;
Niet in of nabij kwetsbare natuur of vlieggebied van kwetsbare vogels of vleermuizen. Een natuurtoets wijst uit of het plaatsen verantwoord is;
Bestaande beplanting op het erf blijft behouden;
Geeft een rustig bewegend rotorbeeld;
Bijkomende objecten zoals accu’s worden in eerste instantie in bestaande gebouwen geïntegreerd of terughoudend uitgevoerd in vorm en kleur;
Geen hekken of andere afscheidingen bij of rond de boerderijmolen.
Hoofdvorm
Hoogte, rotoromvang, kleur- en materiaalgebruik van de mast bepalen de uitstraling en zichtbaarheid van de boerderijmolens. Het uitgangspunt is daarom om alleen boerderijmolens te plaatsen die terughoudend zijn vormgegeven (en dus niet sterk opvallen in het landschap) en in schaal, kleur en vormgeving aansluiten bij het karakter van het specifieke erf.
De boerderijmolen heeft:
een zelfstandige, eenduidige hoofdvorm;
een maximale ashoogte van 15m, gemeten vanaf peil;
een maximale tiphoogte van 22m, gemeten vanaf peil;
drie wieken;
een evenwichtige verhouding tussen de masthoogte en rotordiameter;
een mast en rotor met een rank silhouet;
Opmaak
De boerderijmolen:
bestaat uit metaal, kunststof en/of hout;
heeft een onopvallende matte kleurstelling, passend bij de specifieke kenmerken van de erfbeplanting en het landschap;
heeft geen reclame en/of tekst;
Plaatsing
De molens worden ruimtelijk gezien onderdeel van een erf-ensemble. Op deze manier ontstaan geen nieuwe losse objecten in het landschap. Zo kan aantasting en vervuiling van het landschap worden voorkomen. De inpassing vraagt daarom om een zorgvuldig inpassingsplan, waarin ook de andere functies en waarden van het erf worden meegenomen.
Door de verschillende schaalgroottes van de erven kunnen de boerderijmolens in een landelijk lint verspringen. Om een rommelig beeld te voorkomen moeten linten daarom in samenhang worden beoordeeld.
Voor het plaatsen van een boerderijmolen geldt:
maximaal één boerderijmolen op een perceel met een (voormalig*) agrarische bestemming;
een bouwvlak van minimaal 1 hectare én het erf kan in ruimtelijk opzicht als agrarisch worden beschouwd
plaatsing binnen het bouwvlak;
passend bij de schaal en ruimtelijke verhouding van het erf(ensemble);
geclusterd als onderdeel van de bestaande bebouwing;
plaatsing aan de achterzijde van het erf-ensemble;
zo min mogelijk zichtbaar vanaf de openbare weg en buiten de zichtlijnen naar het achterliggende landschap;
plaatsing op een ondergeschikte positie ten opzichte van de typologische voorzijde van de boerderij en het voorerf;
op minimale afstand van 100 meter tot cultuurhistorisch of landschappelijk waardevolle elementen en structuren zoals dijken of karakteristieke waterlopen;
op minimale afstand van 200 meter van de Schermer- en Beemsterringvaart- en dijk;
op voldoende afstand van overige, aanwezige landschappelijke elementen zoals bomen, kades en sloten en greppels;
staat op een afstand van minimaal 5 meter en maximaal van 2x de ashoogte tot de erfbebouwing, erfbeplantingen en waterlopen die de ruimtelijke begrenzing van het erf vormen;
buiten een molenbiotoop of in de invloedssfeer van een historische molen;
op maximale afstand van 150 meter van een boerderijmolen op een ander erf, behalve als er ruimtelijke samenhang tussen boerderijmolens gewenst is.
Boerderijmolens niet buiten het bouwvlak en uit het zicht plaatsen.
Maar altijd binnen het bouwvlak, buiten het zicht, aan de achterzijde van het erf
Afstand boerderijmolen maximaal 5 tot 30 meter vanaf de ruimtelijke erfgrens.
Afstand boerderijmolen maximaal 5 tot 30 meter vanaf de aanwezige erfbebouwing.
Voorbeeld van een goede landschappelijke inpassing
Hoofdstuk 4
Artikel 4.2
Toetsingskaders boerderijmolen
Onderdeel van Beleidskader kleine windturbines