Voor de plaatsing, hoofdvorm, maatvoering en uitvoering van mini- en dakturbines gelden onderstaande kaders:
Algemeen
Er is sprake van een goede inpassing in het bestaande omgevingsbeeld;
De landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten blijven behouden;
Plaatsing buiten vlieggebieden van kwetsbare vogels of vleermuizen;
Er worden geen bomen gekapt of gebouwen (blijvend) verwijderd voor de windvang.
Plaatsing
Voor de plaatsing van miniturbines en dakturbines geldt:
op een bedrijventerrein;
buiten een rijks- of gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht;
buiten de omgevingssfeer van monumenten;
voor overige bebouwde gebieden;
bij bouwplannen waar deze turbines onderdeel zijn van het ontwerp;
op platte daken;
op een afstand vanuit de dakrand die minimaal gelijk is aan de hoogte van de turbine;
als er geen zicht- en/of geluidhinder wordt veroorzaakt;
als de minimale hoogte van het gebouw 20 meter is vanaf peil;
als het gebouw twee keer zo hoog is als alle omliggende bebouwing en beplanting;
dat de afstand tot andere gevoelige gebruiksfuncties ten minste 75m is;
de draaiende delen hangen boven eigen terrein;
dat miniturbines worden geplaatst binnen een bouwvlak;
dat dakturbines worden geplaatst op een plat dak.
Hoofdvorm
Mini- en dakturbines:
zijn ondergeschikt in beeld en omvang ten opzichte van het dakvlak;
sluiten aan bij de (kap)contour van het gebouw;
vormen een architectonische eenheid met het dak;
hebben een tiphoogte van maximaal 9,5 meter;
hebben een ashoogte van maximaal 7 meter;
komen tot maximaal 1 meter boven de nok;
zijn bij meerdere turbines op één dak hetzelfde;
hebben een hoogte van maximaal een derde van de gebouwhoogte;
hebben samen met het gebouw een maximale hoogte van 35 meter;
een miniturbine heeft een rotordiameter van maximaal 5 meter.
Opmaak
Mini- en dakturbines:
bestaan uit metaal, hout, kunststof;
hebben een onopvallende matte kleurstelling, aansluitend bij de omgeving;
hebben geen reclame en/of tekst.
De hoogte van de dakturbine is maximaal een derde van de gebouwhoogte
De afstand tussen de dakturbine en de dakrand is minimaal hetzelfde als de tiphoogte van de dakturbine.
Hoofdstuk 5
Artikel 5.2
Toetsingskaders mini- en dakturbines
Onderdeel van Beleidskader kleine windturbines