Het is verboden om in een beschermd archeologisch monument,
bedoeld in artikel 1, onder c van de Monumentenwet 1988 onder de
oppervlakte te verstoren.
Het verbod in lid 1 is niet van toepassing indien een vergunning
voor een bodemingreep is verleend door het ministerie van
OC&W.
Het is verboden om bodemingrepen te plegen in gebieden die niet
vallen onder lid 1 zonder hiervoor een archeologisch onderzoek
te overleggen aan het bevoegd gezag.
Het verbod in lid 3 is niet van toepassing indien;
het een verstoring betreft van een archeologisch
monument of archeologisch verwachtingsgebied als
aangegeven op de gemeentelijke archeologische
verwachtingenkaart, en waarbij die verstoring
plaatsvindt:
In een gebied met gekende archeologische waarden en de
verstoring niet dieper is dan 0.3m.
in een gebied met hoge archeologische verwachtingswaarde
in gebieden bestemd als woonkern en het te verstoren
gebied kleiner is dan100 m2 of de verstoring niet dieper
is dan 0.3m.
in een gebied met hoge archeologische
verwachtingswaarde in het buitengebied en het te
verstoren gebied kleiner is dan 120 m2 of de verstoring
niet dieper is dan 0.3m.
In een gebied met een lage of middelhoge
verwachtingswaarde en het te verstoren gebied kleiner is
dan 2000m2 of de verstoring niet dieper is dan 0.3m.
In een gebied dat in een eerder stadium is vrijgegeven
voor archeologisch onderzoek door het bevoegd gezag en
waarbij tot het dieptetraject van de bodemingreep geen
archeologische resten worden verwacht.
ten behoeve van de voortzetting van normaal agrarisch
gebruik zoals ploegen, zaai- en oogstklaar maken,
vervangen van drainage, aanbrengen van
teeltondersteunende voorzieningen en vervangen van
boomgaarden;
waarbij het nieuw te bouwen bouwwerk zich op de
bestaande fundering of ten hoogste 2,5 meter buiten de
bestaande fundering bevindt;
ten behoeve van het vervangen of beheren van riolering,
kabels, leidingen of bestrating
sprake is van een activiteit als bedoeld in artikel
2.12, eerste en tweede lid, van de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht en hierin voorschriften zijn
opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg.
het college nadere regels stelt met betrekking tot de
uitvoering van werkzaamheden die leiden tot een
verstoring van een archeologisch monument of
archeologisch verwachtingsgebied als aangegeven op
gemeentelijke archeologische waardenkaart of de
gemeentelijke beleidsadvieskaart, dan wel bij het
ontbreken daarvan,de provinciale Archeologische
Monumentenkaart of de landelijke Indicatieve Kaart van
Archeologische Waarden;
een rapport is overgelegd waarin de archeologische
waarde van het te verstoren terrein naar het oordeel van
het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld en
waaruit blijkt dat:
het behoud van de archeologische waarden in voldoende
mate kan worden geborgd; of
de archeologische waarden door de verstoring niet
onevenredig worden geschaad; of
in het geheel geen archeologische waarden aanwezig
zijn.
In alle gevallen geldt dat, overeenkomstig artikel 53 Monumentenwet
1998, indien iemand, al dan niet verbonden aan een archeologische
instelling, een zaak vindt waarvan hij weet of redelijkerwijs kan
vermoeden dat het een monument (archeologische vondst) is, hij verplicht
is dit zo spoedig mogelijk te melden aan de minister van OC&W.
Hoofdstuk 5.
Artikel 16.
Instandhoudingbepaling
Onderdeel van Erfgoedverordening en restauratiesubsidieregeling 2010 gemeente Beuningen