Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5.

Artikel 16.

Instandhoudingbepaling

Onderdeel van Erfgoedverordening en restauratiesubsidieregeling 2010 gemeente Beuningen

Het is verboden om in een beschermd archeologisch monument, bedoeld in artikel 1, onder c van de Monumentenwet 1988 onder de oppervlakte te verstoren. Het verbod in lid 1 is niet van toepassing indien een vergunning voor een bodemingreep is verleend door het ministerie van OC&W. Het is verboden om bodemingrepen te plegen in gebieden die niet vallen onder lid 1 zonder hiervoor een archeologisch onderzoek te overleggen aan het bevoegd gezag. Het verbod in lid 3 is niet van toepassing indien; het een verstoring betreft van een archeologisch monument of archeologisch verwachtingsgebied als aangegeven op de gemeentelijke archeologische verwachtingenkaart, en waarbij die verstoring plaatsvindt: In een gebied met gekende archeologische waarden en de verstoring niet dieper is dan 0.3m. in een gebied met hoge archeologische verwachtingswaarde in gebieden bestemd als woonkern en het te verstoren gebied kleiner is dan100 m2 of de verstoring niet dieper is dan 0.3m. in een gebied met hoge archeologische verwachtingswaarde in het buitengebied en het te verstoren gebied kleiner is dan 120 m2 of de verstoring niet dieper is dan 0.3m. In een gebied met een lage of middelhoge verwachtingswaarde en het te verstoren gebied kleiner is dan 2000m2 of de verstoring niet dieper is dan 0.3m. In een gebied dat in een eerder stadium is vrijgegeven voor archeologisch onderzoek door het bevoegd gezag en waarbij tot het dieptetraject van de bodemingreep geen archeologische resten worden verwacht. ten behoeve van de voortzetting van normaal agrarisch gebruik zoals ploegen, zaai- en oogstklaar maken, vervangen van drainage, aanbrengen van teeltondersteunende voorzieningen en vervangen van boomgaarden; waarbij het nieuw te bouwen bouwwerk zich op de bestaande fundering of ten hoogste 2,5 meter buiten de bestaande fundering bevindt; ten behoeve van het vervangen of beheren van riolering, kabels, leidingen of bestrating sprake is van een activiteit als bedoeld in artikel 2.12, eerste en tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en hierin voorschriften zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg. het college nadere regels stelt met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden die leiden tot een verstoring van een archeologisch monument of archeologisch verwachtingsgebied als aangegeven op gemeentelijke archeologische waardenkaart of de gemeentelijke beleidsadvieskaart, dan wel bij het ontbreken daarvan,de provinciale Archeologische Monumentenkaart of de landelijke Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden; een rapport is overgelegd waarin de archeologische waarde van het te verstoren terrein naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat: het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan worden geborgd; of de archeologische waarden door de verstoring niet onevenredig worden geschaad; of in het geheel geen archeologische waarden aanwezig zijn. In alle gevallen geldt dat, overeenkomstig artikel 53 Monumentenwet 1998, indien iemand, al dan niet verbonden aan een archeologische instelling, een zaak vindt waarvan hij weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat het een monument (archeologische vondst) is, hij verplicht is dit zo spoedig mogelijk te melden aan de minister van OC&W.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel