De voorzitter treedt af op de dag waarop de zittingsperiode van het algemeen bestuur eindigt. De voorzitter blijft indien en voor zover hij of zij nog lid van het college is, als voorzitter functioneren tot het moment waarop in zijn of haar opvolging is voorzien.
Indien de voorzitter ophoudt lid van het algemeen bestuur te zijn, houdt hij of zij tevens op voorzitter te zijn.
Het algemeen bestuur kan de voorzitter ontslaan als hij of zij niet langer het vertrouwen van het algemeen bestuur geniet.
Indien het voorzitterschap tussentijds openvalt, wijst het algemeen bestuur zo spoedig mogelijk een nieuwe voorzittergemeente c.q. voorzitter aan.
Hoofdstuk 4 › Afdeling 3
Artikel 18
Artikel 18
Onderdeel van Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst regio Utrecht