Als een belanghebbende een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond, niet zijnde de gedragingen zoals genoemd in het vierde lid van dit artikel, dan wordt een verlaging van de uitkering afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag.
De verlaging als bedoeld in het eerste lid wordt op de volgende wijze vastgesteld:
10% van het benadelingsbedrag als dit gelijk of lager is dan € 4.000,00;
20% van het benadelingsbedrag als dit hoger is dan € 4.000,00.
Als geen benadelingsbedrag kan worden vastgesteld volstaat het college met het geven van een schriftelijke waarschuwing.
Als een belanghebbende voor de aanvang van de uitkering algemeen geaccepteerde arbeid verwijtbaar niet heeft behouden en hierdoor een beroep op bijstand moet doen of als sprake is van verwijtbaar verlies van een voorliggende voorziening, wordt een verlaging toegepast gedurende één maand met inachtneming van het bepaalde in het vijfde en zesde lid van dit artikel.
De verlaging als bedoeld in het vierde lid, wordt vastgesteld op de hoogte van het netto inkomen, dan wel de hoogte van de netto voorliggende voorziening, inclusief vakantietoeslag met een maximum van 100% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm of grondslag.
Het inkomen als bedoeld in het vierde lid wordt in beginsel berekend op basis van het laatste ontvangen loon, dan wel de hoogte van de voorliggende voorziening, gedurende de laatste gehele maand. Als het een wisselend inkomen betreft, dan wordt de hoogte vastgesteld op basis van het gemiddelde maandinkomen gedurende de drie maanden voorafgaand aan het moment waarop de bijstandsbehoeftige omstandigheden aanvingen.
Bij versneld interen van vermogen of het hebben gedaan van een schenking waarmee rekening zou zijn gehouden bij het verlenen van de bijstand, kan voor de duur van het eerder dan wel langer bijstandsafhankelijk zijn een verlaging worden opgelegd van 100% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm.
Als toepassing van het zevende lid leidt tot onbillijkheden, dan wordt toepassing geven aan het bepaalde in artikel 48 tweede lid onderdeel b PW en wordt de uitkering verstrekt in de vorm van een geldlening voor de duur van het eerder, dan wel langer bijstandsafhankelijk zijn.
Wanneer een belanghebbende bij het aanvragen voor (bijzondere) bijstand geen gebruikt maakt van een voorliggende voorziening, die gezien haar aard passend en toereikend kan worden geacht, en het beroep op de voorliggende voorziening niet alsnog mogelijk is, dan wordt de (bijzondere) bijstand verlaagd met het bedrag waarin de voorliggende voorziening zou hebben voorzien.
Hoofdstuk 3: › Paragraaf 3.2:
Artikel 23:
Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
Onderdeel van Verzamelverordening PW, IOAW/IOAZ en Bbz 2024 Gemeente Dongen