Naar hoofdinhoud

Artikel 4

Algemene voorwaarden zorg-voor-elkaar-woning

Onderdeel van BELEIDSREGELS ZORG-VOOR-ELKAAR-WONING WEST MAAS EN WAAL 2024

1. Er is sprake van bewoning door: a. een persoon met een leeftijd van 65 jaar of ouder óf b. een persoon jonger dan 65 met een (progressieve) aandoening, waarbij aantoonbaar binnen 15 jaar een mantelzorgbehoefte ontstaat. Deze behoefte dient te worden aangetoond door middel van een verklaring van een onafhankelijke deskundige. 2. In geval van een tijdelijke woonunit mag deze slechts aanwezig zijn gedurende de periode waarvoor deze is vergund en maximaal drie maanden nadat bewoning van de woonunit is beëindigd. 3. Bewoning van het bijbehorend bouwwerk of de woonunit wordt direct beëindigd nadat de vergunning hiervoor is komen te vervallen, tenzij niet direct een geschikte vervangende zelfstandige woonruimte beschikbaar is. In dat geval mag bewoning van het bijbehorend bouwwerk of de woonunit nog maximaal 12 maanden worden voortgezet. 4. Voor de hoogte van het bijbehorend bouwwerk of de tijdelijke woonunit geldt: a. een maximale goothoogte van 4 m; b. een maximale bouwhoogte van 6 m. 5. Het bijbehorend bouwwerk of de tijdelijke woonunit is gelegen binnen het bestemmingsvlak waarbinnen de realisatie van een (bedrijfs)woning is toegestaan, dan wel op een afstand van maximaal 20 meter tot die (bedrijfs)woning. 6. De oppervlakte van de zorg-voor-elkaar-woning bedraagt niet meer dan 75 m², met dien verstande dat: a. bij gebruik van een bijbehorend bouwwerk de maximaal toegestane oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken niet mag worden overschreden; b. bij gebruik van een tijdelijke woonunit overschrijding van de maximaal toegestane oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken is toegestaan. 7. De minimale afstand tot de zijdelingse perceelsgrens is 3 meter; 8. Situering van het bijbehorend bouwwerk vindt plaats minimaal 3 meter achter de voorgevel van het hoofdgebouw. 9. De bewoning vindt niet plaats op de verdiepingen van een bijbehorend bouwwerk. 10. Het gebruik van een bijbehorend bouwwerk of woonunit voor bewoning leidt niet tot een onevenredige aantasting van de omgeving en belangen van derden. 11. Op eigen terrein moet in de extra parkeerbehoefte worden voorzien. Mocht dit niet haalbaar zijn dan moet middels een parkeerdrukonderzoek (bijlage 1) worden aangetoond dat er geen onevenredige extra parkeerdruk ontstaat in de openbare ruimte. 12. Er bestaan geen milieu hygiënische en ruimtelijke belemmeringen tegen het gebruik van het bijbehorend bouwwerk of woonunit voor bewoning. 13. Het karakter van de omgeving moet voor wat betreft de aanwezige landschapswaarden gehandhaafd blijven. Indien noodzakelijk moet hiervoor de woonunit landschappelijk worden ingepast.

Rechtspraak bij dit artikel