Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5:

Artikel 22:

Uittreding en opheffing

Onderdeel van Gemeenschappelijke regeling Regionaal Reinigingsbedrijf Avalex 2018

1.. Een college richt een verzoek tot uittreding aan het bestuur. Het bestuur neemt het verzoek tot uittreding in behandeling en stelt de voorwaarden vast. Het bestuur spant zich in binnen zes maanden na het verzoek tot uittreding deze voorwaarden te hebben vastgesteld. 2.. Een college dient een verzoek tot uittreding een volledig kalenderjaar voorafgaand aan de beoogde ingangsdatum van de uittreding aanhangig te maken bij het bestuur. Het bestuur kan een college ontheffing verlenen van de termijn van een volledig kalenderjaar als hiervoor bedoeld. 3.. Een besluit tot uittreding kan niet worden genomen gedurende de eerste vijf jaren na de oorspronkelijke inwerkingtreding van de regeling of na de toetreding, indien het de toetreder betreft. 4.. Bij het vaststellen van voorwaarden voor uittreding baseert het bestuur zich op de volgende kosten voor uittreding: investeringen (inclusief onderhouds-/vervangingsinvesteringen): generiek naar rato en individuele naar betreffende gemeente contractuele verplichtingen jegens derden, beide voor zover gerelateerd aan de DVO van de uittredende gemeente effecten bezien op uittreding Avalex met betrekking tot deelnemingen aan derden financiële gevolgen voor de directe kosten en de overheadkosten, waaronder personeel aandeel naar rato in de algemene reserve, waarbij de algemene reserve van Avalex niet onder het weerstandsvermogen mag uitkomen desinvesteringskosten van inzamelmiddelen en -voorzieningen, conform afspraak in de dienstverleningsovereenkomst advies- en begeleidingskosten van het proces tot uittreding, door de uittredende partij. Daarnaast wordt voor personeel zoveel mogelijk uitgegaan van het principe ‘mens volgt werk’, indien taken overgaan naar een andere organisatie. 5.. De uittredingsvergoeding wordt vastgesteld met inachtneming van het volgende: de accountant van Avalex en de accountant van de deelnemende gemeente van het college die wenst uit te treden benoemen gezamenlijk een derde onafhankelijke deskundige die de hoogte van de uittredingsvergoeding zal vaststellen; voorafgaand aan de benoeming van de onafhankelijke deskundige wordt de formule voor de vaststelling van de hoogte van de uittredingsvergoeding door het bestuur vastgesteld, met inachtneming van het vierde lid; de vaststelling van de uittredingsvergoeding door de onafhankelijke deskundige is bindend voor de deelnemende gemeente en voor Avalex. 6.. Een college dat verzocht heeft tot uittreding kan, nadat de hoogte van de kosten zoals genoemd in het vierde lid en, voor zover van toepassing, beëindiging van de activiteiten van Avalex overeenkomstig het vierde lid vastgesteld is, ervoor kiezen om indien van toepassing en voor zover akkoord bevonden door het bestuur personeel of verplichtingen van Avalex over te nemen in ruil voor kwijtschelding van dat deel van de verschuldigde kosten van desintegratie of beëindiging van activiteiten. 7.. Het eerste tot en met het zesde lid zijn zo veel mogelijk van toepassing bij opheffing. 8.. Een college kan slechts besluiten tot uittreding na toestemming van zijn raad, bedoeld in artikel 1, van de wet. Uittreding van een college vergt eveneens een wijziging van de regeling met inachtneming van artikel 23. Indien na uittreding slechts één college blijft deelnemen aan deze regeling, is een verzoek tot uittreding een verzoek tot opheffing.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel