a. In gebied A als omschreven in artikel 2 van deze verordening, geldt de volgende andere waarde.
Op grond van artikel 6, lid 1 van de Wet en in afwijking van artikel 3, lid 1 van de Wet bedraagt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij voor zover de voor geur gevoelige objecten in het gebied zich bevinden binnen de bebouwde kom: 2 ouE/m³.
b. In gebied B als omschreven in artikel 2 van deze verordening, geldt de volgende andere waarde.
Op grond van artikel 6, lid 1 van de Wet en in afwijking van artikel 3, lid 1 van de Wet bedraagt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op de voor geur gevoelige objecten: 7ouE/m³.
c. In gebied C als omschreven in artikel 2 van deze verordening, geldt de volgende andere waarde.
Op grond van artikel 6, lid 1 van de Wet en in afwijking van artikel 3, lid 1 van de Wet bedraagt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op de voor geur gevoelige objecten: 7ouE/m³.
d. In gebied D als omschreven in artikel 2 van deze verordening, geldt de volgende andere waarde.
Op grond van artikel 6, lid 1 van de Wet en in afwijking van artikel 3, lid 1 van de Wet bedraagt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op de voor geur gevoelige objecten: 7ouE/m³.
e. Ten opzichte van gebied A als omschreven in artikel 2 van deze verordening geldt een afwijkende norm van ten minste 50 meter tot een geur gevoelig object.
Op grond van artikel 6, lid 3 van de Wet en in afwijking van artikel 4, lid 1 van de Wet bedraagt de afstand tussen een veehouder waar maximaal 50 dieren (koeien, jongvee en paarden) worden gehouden van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld en een geurgevoelig object ten minste 50 meter.