Naar hoofdinhoud

Artikel 2

Hinderlijke hond

Onderdeel van Beleidsregels bijtincidenten honden

De burgemeester acht een hond hinderlijk, in de zin van artikel 2:59 APV, als deze een licht bijtincident heeft veroorzaakt. De eigenaar of houder van een hinderlijke hond wordt door de burgemeester geboden er zorg voor te dragen dat deze hond aangelijnd is voor zover deze zich niet op het eigen terrein of het terrein van de eigenaar of de houder bevindt. Het aanlijngebod geldt voor onbepaalde tijd totdat het door de burgemeester wordt opgeheven. Voordat een aanlijngebod wordt opgelegd kondigt de burgemeester het voornemen aan om de hond hinderlijk te verklaren en een aanlijngebod op te leggen. Wanneer de eigenaar of houder van de hond dit voorgenomen besluit heeft ontvangen kan deze persoon een zienswijze hierover indienen. De duur van de termijn waarin zienswijzen kunnen worden ingediend (schriftelijk of mondeling), bedraagt meestal 5 werkdagen. Deze termijn van 5 werkdagen kan korter zijn als dit door de burgemeester gezien de feiten en omstandigheden noodzakelijk wordt geacht. In spoedeisende gevallen kan het bieden van een mogelijkheid om zienswijzen kenbaar te maken, helemaal achterwege gelaten worden. Om de maatregel op te kunnen volgen wordt in de beschikking een begunstigingstermijn van twee dagen genoemd. In bijzondere gevallen wordt hiervan afgeweken. De duur van deze begunstigingstermijn is bepaald aan de hand van de tijd die redelijkerwijs nodig is om een korte lijn aan te schaffen, althans het middel dat noodzakelijk is om opvolging te kunnen geven aan het opgelegde gebod uit het tweede lid. Indien bekend is dat deze middelen reeds in het bezit zijn van de eigenaar of houder, wordt er geen begunstigingstermijn gegeven.

Rechtspraak bij dit artikel