Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5

Artikel 5.1

Van parkeernorm naar parkeereis

Onderdeel van Nota Parkeernormen Uitgeest 2024

In de onderstaande figuur is het toepassingskader schematisch weergegeven. Dit schema wordt in deze paragraaf nader toegelicht. In het schema is een onderscheid gemaakt tussen parkeervraag en parkeeraanbod. Bepaling parkeervraag Stap 1: normatieve parkeerbehoefte De normatieve parkeerbehoefte vormt het uitgangspunt voor de bepaling van het aantal parkeerplaatsen dat benodigd is. Hiertoe levert de initiatiefnemer een parkeerbalans aan. Om de normatieve parkeerbehoefte te berekenen dient voor iedere te realiseren functie de berekening: functie * parkeernorm te worden uitgevoerd. Stap 2: mobiliteitscorrectie In nieuwbouw- of transformatieontwikkelingen kan sprake zijn van afwijkende omstandigheden die ertoe leiden dat de toepassing van de parkeernorm(en) die in deze nota zijn opgenomen, naar verwachting leiden tot een overschot aan parkeerplaatsen. Wanneer hier sprake van is, kan door een initiatiefnemer een mobiliteitscorrectie worden onderbouwd. In het onderstaande kader wordt nader ingegaan op de mobiliteitscorrectie. Hierbij worden ook enkele voorbeelden van mobiliteitscorrecties beschreven. Mobiliteitscorrectie De mobiliteitscorrectie biedt initiatiefnemers de mogelijkheid om een onderbouwde correctie te doen op de te hanteren parkeernormen. Aan een mobiliteitscorrectie kunnen verschillende argumenten ten grondslag liggen. Enkele voorbeelden zijn: De ontwikkellocatie is gelegen op een locatie waar de aanwezigheid van OV-verbindingen leidt tot een lagere parkeerbehoefte; De inzet van deelmobiliteit (deelauto’s, deelfietsen) leidt tot een verlaging van de behoefte aan parkeerplaatsen; De initiatiefnemer kan aantoonbaar maken dat de ruimtelijke ontwikkeling niet tot een verhoging van de parkeerbehoefte zal leiden. Toepassingskader mobiliteitscorrectie In de onderstaande schema is de werkwijze opgenomen die de gemeente hanteert bij het toepassen van een mobiliteitscorrectie. Zoals uit het schema blijkt moet aan een mobiliteitscorrectie altijd een onderbouwing ten grondslag liggen. Indien deze onderbouwing beschikbaar is, kan de parkeerbehoefte met maximaal 20% worden gecorrigeerd. Het gecorrigeerde gedeelte van de parkeerbehoefte dient echter voor 100% te zijn opgenomen als een ruimtelijke reservering. Een ruimtelijke reservering kan bestaan uit fysiek ruimte reserveren of bijvoorbeeld door in de nabije omgeving van de ontwikkellocatie parkeerplaatsen kopen of te huren (of de mogelijkheid hiertoe). De ruimtelijke reservering vormt het terugval scenario voor het geval dat een mobiliteitsconcept in de praktijk toch niet blijkt te werken. Met de gereserveerde ruimte kan deze extra parkeerbehoefte in een later stadium alsnog worden gefaciliteerd. De gemeente beoordeelt in welke mate de voorgestelde mobiliteitscorrectie bijdraagt aan een te verwachten lagere parkeerdruk. Het toepassen van de mobiliteitscorrectie is afhankelijk van de mate waarin de maatregelen die moeten leiden tot een lager autobezit en - gebruik in de praktijk controleerbaar en afdwingbaar zijn. Stap 3: vaststelling parkeerbehoefte Nadat eventuele mobiliteitscorrectie is toegepast, wordt de parkeerbehoefte vastgesteld. Dit is het aantal parkeerplaatsen dat fysiek gefaciliteerd dient te worden. Bij de vaststelling van de parkeerbehoefte is nog geen dubbelgebruik toegepast, deze berekening vindt plaats bij de bepaling van het parkeeraanbod. Bepaling parkeeraanbod Stap 4: parkeerplaatsen privaat In beginsel dient parkeren op eigen terrein, binnen het bouwplan, plaats te vinden. De initiatiefnemer mag echter ook gebruik maken van eventueel beschikbare private parkeerplaatsen in de omgeving zoals in stap 5 is aangegeven. De bepaling van het aantal parkeerplaatsen op eigen terrein, vindt dan alleen plaats voor het deel van de parkeereis dat niet in een private parkeervoorziening kan worden opgelost. Vastlegging parkeren op eigen terrein. Parkeerplaatsen die aangelegd of gebouwd worden als onderdeel van een ruimtelijke ontwikkeling dienen ook als zodanig gebruikt te kunnen worden. Als bijvoorbeeld bij woningen eigen parkeerplaatsen worden aangelegd is er geen noodzaak om van het openbare parkeerareaal gebruik te maken. De gemeente Uitgeest hanteert hiervoor een zogenaamd POET7Parkeren Op Eigen Terrein overzicht. Ruimtelijke ontwikkelingen met eigen parkeerplaatsen worden op dit overzicht geplaatst en de betreffende gebouwen komen niet in aanmerking voor een parkeervergunning, ook niet als in de toekomst parkeerregulering in de omgeving wordt ingevoerd. Berekening aantal te realiseren parkeerplaatsen Parkeerplaatsen die niet onafhankelijk van elkaar bereikt kunnen worden, tellen niet volledig mee bij de vaststelling van het aantal parkeerplaatsen. Zie hiervoor bijlage 6. Stap 5: parkeerplaatsen privaat In de directe omgeving van een ontwikkellocatie kan, op het moment dat de geplande functies hun parkeerbehoefte genereren, (gedeeltelijk) ongebruikte private parkeercapaciteit aanwezig zijn. De eerste stap in de bepaling van het parkeeraanbod is dat initiatiefnemers onderzoek verrichten of van deze parkeercapaciteit gebruik gemaakt kan worden. De parkeercapaciteit moet binnen de maximale loopafstanden van de ontwikkellocatie liggen zoals opgenomen in bijlage 5. Het gebruik van de private parkeerplaatsen moet voor ten minste tien jaar contractueel worden vastgelegd. Daarnaast dient de initiatiefnemer aannemelijk te maken dat parkeerders ook van de parkeerplaatsen gebruik kunnen en gaan maken. De fysieke toegankelijkheid van de parkeervoorziening speelt in dit kader een belangrijke rol. Als gebruik wordt gemaakt private parkeerplaatsen wordt de ontwikkeling opgenomen in het POET overzicht. Private parkeerplaatsen kunnen slechts eenmaal aan een ontwikkeling worden toegewezen. Stap 6: parkeerplaatsen openbaar De situatie kan zich voortdoen dat, wanneer stap 4 en stap 5 zijn doorlopen, nog niet voor de volledige parkeerbehoefte een oplossing is gevonden. Wanneer dit het geval is kan de initiatiefnemer een verzoek indienen om gebruik te maken van parkeermogelijkheden in de openbare ruimte. Het college kan, voor de niet ingevulde parkeerruimte, toestaan dat de parkeervraag wordt afgekocht. De hoogte van de afkoopsom is afhankelijk van de mogelijkheid om gebruik te maken van al bestaande openbare parkeerplaatsen of dat er (in de toekomst) extra parkeerplaatsen moeten worden aangelegd. Als criterium voor het gebruik van bestaande openbare parkeervoorzieningen geldt dat na afwenteling van (het resterende gedeelte van) de parkeerbehoefte, de parkeerdruk niet hoger mag zijn dan 85%. Om aan te tonen of dit wel of niet het geval is, is inzicht nodig in de bestaande parkeerdruk. De bestaande parkeerdruk dient door de initiatiefnemer inzichtelijk te worden gemaakt met behulp van een parkeertelling. Wanneer een initiatiefnemer van plan is om een parkeertelling uit te voeren, is het advies om contact met de gemeente op te nemen. Indien er een relevante (gemeentelijke) telling beschikbaar is, kan deze door initiatiefnemer worden gebruikt. Daarnaast stelt de gemeente bepaalde eisen waar een parkeertelling aan moet voldoen (omvang onderzoeksgebied, aantal telmomenten, wijze van meten etc.). Indien er door het initiatief van de aanvrager extra parkeerplaatsen in de openbare ruimte moeten worden aangelegd, honoreert de gemeente een dergelijk verzoek alleen indien hierdoor geen belangen van omwonenden worden geschaad en de aanleg van parkeerplaatsen niet in strijd is met ruimtelijk beleid, groen beleid en/of ecologisch beleid. Resultaat: de parkeereis Nadat alle beschreven stappen zijn doorlopen is bekend wat de parkeerbehoefte is die gepaard gaat met de geplande ruimtelijke ontwikkeling. Ook is bekend op welke wijze deze behoefte wordt gefaciliteerd. Bij woningen is daarbij een onderscheid gemaakt tussen parkeerplaatsen die nodig zijn om het autobezit van bewoners te faciliteren en voor de bezoekers van de bewoners. Bij alle andere functies wordt geen onderscheid gemaakt tussen vaste gebruikers en bezoekers. Het totaal aantal parkeerplaatsen dat nodig is voor de ruimtelijke ontwikkeling wordt de parkeereis genoemd. De parkeereis wordt in de omgevingsvergunning vastgelegd. Saldering bij functiewijziging Bij een functiewijziging blijft een gebouw staan, maar krijgt het een nieuwe functie. Ook kan een kavel een andere bestemming krijgen waardoor de parkeervraag verandert. In veel gevallen leidde de oorspronkelijke bestemming ook tot een parkeerbehoefte die opgelost wordt in de openbare ruimte. De parkeerplaatsen bestemd om deze parkeerbehoefte te faciliteren, kunnen worden hergebruikt om de parkeerbehoefte van de nieuwe functie (gedeeltelijk) op te lossen. Dit principe wordt salderen genoemd. Uitgangspunt bij salderen is dat de parkeerdruk op de openbare ruimte a.g.v. een bouwplan niet toeneemt. Een aandachtspunt bij salderen is een mogelijke verschuiving van het moment waarop een functie haar parkeerbehoefte genereert. Met de werkmethode die de gemeente hanteert, wordt zo veel mogelijk voorkomen dat onjuiste verrekeningen van de oude parkeerbehoefte worden gedaan (zie onderstaande rekenvoorbeeld). De oude en nieuwe parkeerbehoefte wordt voor ieder dagdeel gesaldeerd. Het dagdeel waarop de parkeervraag het hoogst is, wordt aangehouden als nieuwe parkeerbehoefte. Parkeerplaatsen die exclusief ter beschikking stonden van de oude functie, kunnen op alle dagdelen worden gesaldeerd. Gesaldeerd mag worden uitsluitend over het legale gebruik in de afgelopen 5 jaar. Indien een pand of perceel langer dan 5 jaar geen of slechts een tijdelijke functie heeft gehad, mag niet gesaldeerd worden. Dat geldt ook indien een pand of perceel in de afgelopen 5 jaar (gedeeltelijk) tijdelijk als parkeervoorziening is gebruikt. Salderen is alleen mogelijk indien er sprake is van een functieverandering of indien er sprake is van twee of meer functies die binnen hetzelfde bouwplan worden gerealiseerd. Rekenvoorbeeld: salderen In dit rekenvoorbeeld wordt de parkeerbehoefte van een voormalige kantoorfunctie gesaldeerd. Het gebouw krijg een nieuwe bestemming als woonfunctie. Om de beschreven werkmethode te verduidelijken, wordt voor beide functies een parkeerbehoefte van 20 parkeerplaatsen aangehouden. Omwille van de eenvoud wordt slechts voor een aantal dagdelen de maatgevende parkeerbehoefte bepaald. Ook wordt het bezoekersaandeel niet apart berekend. Uit onderstaande tabel kan worden afgeleid dat de maatgevende parkeerbehoefte van een kantoorfunctie zich op een ander moment voordoet dan bij detailhandel. Dit resulteert erin dat ten behoeve van de nieuwe woonfunctie detailhandel 15 parkeerplaatsen aangelegd moeten worden. Functie Werkdag-ochtend Werkdag-middag Werkdag-nacht Zaterdag-middag Aanwezigheidspercentage kantoor 100% 100% 0% 0% Aanwezigheidspercentage detailhandel 50% 50% 0% 75% Kantoorgebouw (oud) 20 20 0 0 Detailhandel (nieuw) 10 10 0 15 Resultaat (oud - nieuw) +10 +10 0 -15

Rechtspraak bij dit artikel