Het verlagen van de bijstand of de langdurigheidstoeslag
geschiedt, met inachtneming van de bepalingen van deze
verordening, door of namens het college.
Van een verlaging, als bedoeld in lid 1, wordt afgezien indien
geen sprake is van verwijtbaarheid, in welke vorm dan ook. Bij
het bepalen van de mate of duur van enige verlaging waarvan in
deze verordening sprake is, zal altijd het belang van eventueel
tot het gezin behorende kinderen worden meegewogen.