De gemeente zet geen hulp-op-maat in als de inwoner de benodigde hulp kan krijgen vanuit de Wet langdurige zorg (Wlz).
Als uit het onderzoek blijkt dat de inwoner vermoedelijk in aanmerking komt voor een Wlz-indicatie, dan doet de inwoner eerst een Wlz-aanvraag. Pas wanneer er een afwijzing komt vanuit de Wlz, dan komt de inwoner in aanmerking voor hulp-op-maat. Daarna neemt de gemeente een verzoek voor hulp-op-maat in behandeling. Wanneer een inwoner al hulp-op-maat had vanuit de gemeente kan ter overbrugging tijdens de Wlz aanvraag hulp-op-maat ingezet worden voor maximaal 6 maanden tijdens de onderzoeksperiode van het CIZ.
Als er redenen zijn om aan te nemen dat de inwoner in aanmerking komt voor de Wlz, maar weigert een aanvraag hiervoor te doen kan de gemeente weigeren om hulp-op- maat te verstrekken.
De inwoner doet in elk geval een aanvraag voor hulp vanuit de Wlz als:
De inwoner een blijvende behoefte heeft aan permanent toezicht;
De inwoner 24 uur per dag hulp in de nabijheid nodig heeft
Als de jeugdige hulp krijgt vanuit de Wlz en een ggz-behandeling nodig is, dan kunnen de jeugdige en zijn ouders bij de gemeente hiervoor een verzoek indienen. In sommige gevallen valt zo’n behandeling namelijk niet onder de Wlz.
Als de jeugdige hulp krijgt vanuit de Wlz dan kunnen hij en zijn ouders bij de gemeente nog wel een verzoek doen voor pleegzorg.
Hulpmiddelen en woningaanpassingen vallen onder de Wmo als het gaat om Wlz-gerechtigden die thuis wonen. Onder "thuis wonen" als bedoeld in artikel 8.6a onderdeel a Wmo 2015 kan worden verstaan Wlz-gerechtigden die de hulp geleverd krijgen in de vorm van een pgb, modulair pakket thuis (mpt) of volledig pakket thuis (vpt). Het gaat hierbij dus ook om bijvoorbeeld inwoners met een Wlz-indicatie die in een particulier wooninitiatief wonen.
Hoofdstuk 2. › Paragraaf 2.2
Artikel 2.2.7
Hulp die valt onder de Wet langdurige zorg
Onderdeel van Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Dalfsen