Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk III

Artikel 20

Bevoegdhedenverdeling dagelijks bestuur

Onderdeel van Wijziging gemeenschappelijke regeling Reinigingsdiensten RD4

Met betrekking tot de uitoefening van de in artikel 4 genoemde taken berust bij het dagelijks bestuur alle bevoegdheid die niet krachtens deze regeling aan het algemeen bestuur of aan de voorzitter is toegekend. Naast de uitoefening van taken en bevoegdheden op grond van het elders in deze regeling bepaalde, is het dagelijks bestuur belast met en bevoegd: het dagelijks bestuur van het lichaam te voeren, voor zover niet bij of krachtens de wet het algemeen bestuur hiermee is belast; beslissingen van het algemeen bestuur voor te bereiden en uit te voeren; de meerjaren- en jaarlijkse beleidsplannen en de daarbij behorende meerjarenraming voor te bereiden; de ontwerpbegrotingen het bijbehorende investerings- en financieringsplan op te stellen; de voorlopige rekening op te stellen; regels vast te stellen over de ambtelijke organisatie van het lichaam; ambtenaren te benoemen, te schorsen en te ontslaan; tot privaatrechtelijke rechtshandelingen van het lichaam te besluiten, met uitzondering van privaatrechtelijke rechtshandelingen als bedoeld in artikel 18, lid 1, aanhef en onder g; toezicht te houden op het beheren van de financiën en eigendommen van het lichaam; een instructie voor de secretaris op te stellen; de belangen van het lichaam voor te staan bij andere overheden en andere instellingen, diensten en personen waarmee contact voor het lichaam van belang is. Het dagelijks bestuur kan in de in het tweede lid, aanhef en onder j, bedoelde instructie zijn bevoegdheden mandateren aan de secretaris. De secretaris kan aan hem gemandateerde bevoegdheden onder mandateren aan andere functionarissen, tenzij het dagelijks bestuur bij de mandaatverlening anders bepaalt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel