De colleges van de deelnemende gemeenten wijzen elk uit hun midden één lid van het algemeen bestuur aan.
De leden van het algemeen bestuur worden benoemd voor een periode gelijk aan de (resterende) zittingsduur van de colleges. De leden treden tegelijk af op de dag waarop de leden van de colleges van de deelnemende gemeenten aftreden.
De aanwijzing van de leden van het algemeen bestuur vindt plaats in de eerste vergadering van de colleges van de deelnemende gemeenten in de nieuwe samenstelling.
In de plaatsen van leden die door ontslag, overlijden of om andere redenen openvallen wordt binnen drie maanden voorzien door het college van de betreffende gemeente.
De leden van het algemeen bestuur kunnen te allen tijde ontslag nemen. Van dit ontslag stellen zij de voorzitter van het algemeen bestuur alsmede het college dat hen heeft aangewezen schriftelijk op de hoogte.
Het lidmaatschap van het algemeen bestuur eindigt van rechtswege zodra men ophoudt lid te zijn van het college waardoor men krachtens het bepaalde in lid 1 is aangewezen.
Hoofdstuk II
Artikel 7
Het algemeen bestuur
Onderdeel van Wijziging gemeenschappelijke regeling Reinigingsdiensten RD4