Hier gaat het over de verplichtingen tot het verstrekken van inlichtingen met betrekking tot het recht op bijstand/uitkering, de medewerkingsverplichting en het tonen van een identiteitsbewijs. Voor het begrip ‘onverwijld’ geld dat bij wijzigingen die van belang zijn voor de bijstand/uitkering of het traject of de voorziening direct melding wordt gemaakt van de situatie die zich voordoet.
Lid 1
De eerste categorie, onderdeel a en b, heeft betrekking op het te laat voldoen aan de inlichtingen- en medewerkingsplicht. Veel voorkomende gedragingen ten aanzien van de inlichtingenplicht zijn onder meer het niet verschijnen op een ingelast rechtmatigheidsonderzoek of het niet inleveren van status- en wijzigingsformulier en periodieke verklaring.
Voorbeelden van het niet voldoen aan de medewerkingsverplichting zijn het niet tonen van het
identiteitsbewijs, niet meewerken aan een huisbezoek en niet meewerken aan een onderzoek naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens. Indien de belanghebbende niet in de daartoe gestelde termijn de informatie verstrekt of anderszins onvoldoende medewerking verleent, wordt het recht op bijstand/uitkering opgeschort en wordt de belanghebbende verzocht het verzuim binnen een gestelde termijn te herstellen (de zogenaamde hersteltermijn). Indien de informatie of medewerking alsnog wordt verstrekt of verleend, wordt een maatregel toegepast. Indien de belanghebbende het verzuim niet herstelt, wordt het recht op bijstand/uitkering beëindigd met ingang van de eerste dag waarover dat recht is opgeschort.
Een bijzondere vorm van schending van de medewerkingsplicht is het in onvoldoende mate
meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. Omdat het hier gaat om het niet nakomen van een verplichting in het kader van een traject/voorziening, wordt
deze specifieke gedraging niet gesanctioneerd op basis van dit artikel maar op grond van artikel 7,
tweede categorie onder a. De gedraging kan overigens wel nog steeds als een schending van de
medewerkingsplicht worden gezien, waardoor ná de maatregelwaardige gedraging, de hierboven geschetste weg kan worden gevolgd.
Ten aanzien van oproepen door een Reïntegratiebedrijf (RIB) kan hier nog worden aangegeven dat de hiervoor bedoelde hersteltermijn niet gaat lopen vanaf het moment dat de belanghebbende dient te verschijnen op een afspraak van het RIB, maar pas na de daaropvolgende oproep van de gemeente. Deze oproep vindt in de regel plaats nadat de jongere niet is verschenen op de afspraak van het RIB. Geeft de jongere ook geen gehoor aan de oproep dan geldt voor de hersteltermijn de datum van deze oproep.
Om vast te kunnen stellen waarom de jongere niet op de afspraak van het RIB is verschenen.
Voldoet een jongere niet aan de oproep van de gemeente dan gaat de hersteltermijn in
op het moment van deze oproep.
Daarnaast omvat de eerste categorie, onderdeel a, het schenden van de inlichtingenplicht dat niet
heeft geleid tot een teveel of ten onrechte verstrekt bedrag aan uitkering, de zogenaamde nulfraude. Voorbeelden van zogenaamde nulfraude zijn het niet opgeven van een vermogensbestanddeel onder de vermogensgrens of het niet melden van vrijwilligerswerk. Rekeninghoudend met de gedraging van de eerste categorie (te late verstrekking van gegevens) dient hier ook een maatregel te worden opgelegd. Immers het niet sanctioneren van nulfraude zou anders positiever beoordeeld worden dan het alsnog na herhaald verzoek verstrekken van gegevens.
Lid 2
De tweede categorie betreft het schenden van de inlichtingenplicht welke wel heeft geleid tot een ten onrechte verstrekt bedrag. Er kan in deze situaties sprake zijn van fraude als betrokkene de bedoelde inlichtingen bewust heeft verzwegen met de bedoeling er financieel van te profiteren. Waren de inlichtingen wel (tijdig) verstrekt, dan zou dat hebben geleid tot het lager vaststellen van het recht op inkomensvoorziening of tot beëindiging van de inkomensvoorziening.
HOOFDSTUK 3.
Artikel 9.
Gedragingen
Onderdeel van Afstemmingsverordening WWB/Ioaw/Ioaz Gemeente Roerdalen 2010