Naar hoofdinhoud

Artikel 7.

Geringe draagkracht van rechtspersonen

Onderdeel van Beleidsregels bestuurlijke boete beheer woonruimtevoorraad Schiedam 2024

1.. Van geringe draagkracht als bedoeld in artikel 5, tweede lid, is sprake als naar het oordeel van burgemeester en wethouders het aan een rechtspersoon opleggen van een boete, waarvan de hoogte aansluit bij het met de geconstateerde overtreding corresponderende bedrag uit de tabel van Bijlage IV bij de verordening, ontwrichtende gevolgen zal hebben voor de continuïteit van de rechtspersoon. 2.. Voor matiging vanwege geringe draagkracht bestaat geen aanleiding, indien de overtreder in de periode tussen de start van de overtreding en de oplegging van de bestuurlijke boete: onverplicht gelden heeft uitgekeerd (zoals dividenden) aan haar bestuurders; of aan een werknemer met een aanmerkelijk belang, als bedoeld in artikel 12a van de Wet op de loonbelasting 1964, een hoger loon dan het in lid 1 van genoemd artikel heeft uitgekeerd. 3.. Indien sprake is van geringe draagkracht, kunnen burgemeester en wethouders de hoogte van de boete matigen tot het niveau waarop de in het eerste lid bedoelde ontwrichtende gevolgen zich niet meer voordoen. 4.. Burgemeester en wethouders kunnen bij het bepalen van de hoogte van de matiging rekening houden met de mate waarin het voor de overtreder mogelijk is, om binnen een termijn van vijf jaar de opgelegde boete in termijnen te betalen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel