In het bestemmingsplan staat benoemd in artikel 8 lid 1 dat de gronden bestemd als ‘seizoensrecreatie’ mogen worden bebouwd met een sta- of toercaravan. Onder sub b van voornoemd artikel is opgenomen dat de oppervlakte per standplaats tenminste 150 m² bedraagt. Onder sub c van voornoemd artikel is opgenomen dat “het aantal standplaatsen ten hoogste bedraagt ten tijde van de tervisielegging van het ontwerp van het plan aanwezig aantal standplaatsen.”
In artikel 1 onder r is de definitie van een standplaats: “een aaneengesloten stuk grond voor het plaatsen van het toer- of stacaravan, met de daarbij behorende bebouwing."
Sinds begin 2022 heeft het college na advisering van de Vcab geoordeeld dat 1) er geen rechtsgeldige documentatie is van het aantal standplaatsen ten tijde van de tervisielegging van het bestemmingsplan zodat per geval moet worden gekeken of al dan niet aan het vereiste van 150 m² wordt voldaan en 2) er geen objectieve aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat ook naar het wateroppervlakte moet worden gekeken.
Inmiddels heeft ook de Rechtbank Zeeland – West-Brabant een oordeel gegeven over het voornoemde in een zaak met kenmerk: BRE 23/1599. Dit oordeel is niet in lijn met de besluiten van het college, zodat verduidelijking noodzakelijk is ten behoeve van de rechtszekerheid.
De rechtbank oordeelt echter als volgt: “Het bestemmingsplan geeft niet aan hoe een standplaats of een perceel gemeten zou moeten worden; inclusief of exclusief water. In het verweerschrift stelde het college nog dat een standplaats volgens de definitie in het bestemmingsplan `een aaneengesloten stuk grond is...' en dat daarmee duidelijk is dat alleen de grond mag worden meegerekend. […]
De rechtbank constateert dat de bestemmingsplannen dateren uit 1994 en 1996 en dat het college dus gedurende bijna 30 jaar de lezing en uitleg heeft gegeven aan die bestemmingsplannen, waarbij het wateroppervlak van een perceel meetelde bij de berekening van de grootte van de percelen en waarbij vrijwel standaard gebruik werd gemaakt van de binnenplanse vrijstellingsmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. Dat blijkt ook uit de stukken die eiseres heeft ingebracht ten aanzien van het gelijkheidsbeginsel. Van een dergelijke gedragslijn — wat daar ook van zij — mag het college terugkomen, maar dat vergt wel dat zij een dergelijke beleidswijziging duidelijk en algemeen bekendmaakt voordat deze in individuele gevallen wordt tegengeworpen. Van een dergelijkebekendmaking is de rechtbank niet gebleken. […] Ten slotte weegt de rechtbank ook mee dat de reden om medewerking aan het bouwplan te weigeren (natuur) voor de zuidelijke landtong blijkens genoemde raadsinformatiebrief [van 6 juli 2023] lijkt te zijn achterhaald1Rb Zeeland – West-Brabant 21 maart 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:1975.”
Door de uitspraak van de rechtbank is er een discrepantie in de uitleg van het bestemmingsplan. Daardoor is niet (meer) duidelijk wat de huidige mogelijkheden zijn voor eigenaren van percelen op de bestemming “seizoensrecreatie”.
Hoofdstuk 1. › Paragraaf 1.1
Artikel 1.1.2
Standplaats
Onderdeel van Bouwbeleid Veense Put Gemeente Altena 2024