Aanvullend op bovengenoemde eisen, zijn onderstaande plaatsingsvoorkeuren opgesteld. Waar mogelijk wordt met deze voorkeuren rekening gehouden, om te komen tot een optimale inrichting van de parkeerplaatsen met laadinfrastructuur.
Bij het plaatsen van publieke infrastructuur gelden de volgende voorkeuren:
Een publieke laadpaal wordt geplaatst op gemeentegrond. Afwijken hiervan kan enkel als:
Er binnen 250 meter loopafstand geen ander alternatieve locatie is op gemeentegrond;
De gemeente schriftelijke toestemming heeft van de eigenaar van de grond om de laadpaal te plaatsen;
Laadpalen worden op een goed zichtbare locatie geplaatst, dus nabij een kruising of in een open ruimte, waarbij de laadpaal vanuit meerdere richtingen zichtbaar is en/of benaderd kan worden.
Laadpalen worden in verharding geplaatst. Is dit niet mogelijk, dan gelden in artikel 3.1.1 onder e genoemde eisen voor aanleg in groenvoorzieningen;
Bij langsparkeerplaatsen wordt de laadpaal waar mogelijk 30 centimeter achter de trottoirband geplaatst, bij haaksparkeren is dit waar mogelijk 60 centimeter;
Een laadpaal wordt niet direct voor de woning van een aanvrager geplaatst, om gevoel van informeel ‘eigendom’ te voorkomen;
Een laadpaal wordt tussen de eerste twee parkeerplaatsen van een parkeerstrook of parkeerkoffer geplaatst;
De laadlocaties zijn zo goed mogelijk verspreid in een wijk;
Laadpalen worden bij voorkeur aan de kant van de weg waar de laagspanningskabel zich bevindt en waar mogelijk binnen 25 meter van het elektriciteitsnet geplaatst.
Hoofdstuk 3 › Paragraaf 3.1
Artikel 3.1.2
Plaatsingsvoorkeuren publieke laadinfrastructuur
Onderdeel van Plaatsingsbeleid Laadinfrastructuur gemeente Berg en Dal