Naar hoofdinhoud

Artikel 12

Omgevingsvergunning gemeentelijk monument

Onderdeel van Erfgoedverordening Rijswijk 2024

1.. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders of in strijd met bij zodanige vergunning gestelde voorschriften: een beschermd gemeentelijk monument af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen; een beschermd gemeentelijk monument te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. 2.. Voor een vergunning als bedoeld in dit artikel dient een aanvraag als bedoeld in artikel 16.55 Omgevingswet en de daarbij te overleggen gegevens en bescheiden in viervoud te worden ingediend. 3.. Het eerste lid is niet van toepassing op: de uitvoering van normaal onderhoud, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het monument niet wijzigen, en voor zover de aanleg van een tuin, park of andere aanleg, niet wijzigt; alleen inpandige veranderingen van een onderdeel van het monument dat uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft; het binnen een monument dat als begraafplaats in gebruik is met inachtneming van de monumentale waarden: plaatsen van grafmonumenten, met inbegrip van het tijdelijk verwijderen daarvan en het bijwerken van het opschrift; doen van begravingen of as bijzettingen, of ruimen van graven waarvan het grafmonument niet is beschermd als gemeentelijk monument. 4.. Aanvrager legt ten behoeve van beoordeling van de aanvraag omgevingsvergunning een door ter zake deskundigen opgesteld bouw- en/of cultuurhistorisch onderzoeksrapport. 5.. Voor zover de kosten ten behoeve van het onder het lid 4 bedoelde te verrichten onderzoek niet in een evenredige verhouding staan tot de bouwkosten zal in overleg met burgemeester en wethouders worden bepaald, welk deel van de kosten in redelijkheid ten laste van aanvrager wordt gebracht. 6.. Aanvrager is verplicht tot het verstrekken van alle benodigde documentatie, gevraagd of ongevraagd, gedurende de (ver)bouwwerkzaamheden, alsmede is hij gehouden tot het gedurende de (ver)bouwwerkzaamheden veiligstellen van bouwhistorische elementen. 7.. Burgemeester en wethouders kunnen in het belang van de monumentenzorg nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument. Deze regels kunnen mede inhouden een vrijstelling van het verbod bedoeld in het eerste lid, of een plicht tot het melden van handelingen bedoeld in het derde lid.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel