De procedure van afdeling 3.4 van de Algemene Wet Bestuursrecht is van toepassing op inspraak ten behoeve van:
De voorbereiding van een (rijks-)monumentenvergunning als bedoeld in artikel 14a van de Monumentenwet;
voorbereiden Drank- en Horecavergunning als bedoeld in artikel 6 van de Drank- en Horecawet;
Voorbereiding van de onttrekking van eengemeentelijke weg aan het openbaar verkeer als bedoeld in artikel 9/11 van de Wegenwet;
Voorbereiding gemeentelijk milieubeleidsplan, tenzij het bestuursorgaan de facultatieve inspraakprocedure van artikel 4, lid 2, van deze verordening van toepassing verklaart;
Voorbereiding van een onteigening in de zin van de Onteigeningswet;
Voorbereiding van een milieuvergunning in de in Stb. 2005, 282 omschreven gevallen;
Voorbereiding van een gemeentelijk structuurplan;
Voorbereiding van een vrijstelling ex artikel 17 van de wet op de Ruimtelijke Ordening;
Voorbereiding van een vrijstelling ex art. 19 lid 1, 2 of 3 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening;
Tervisielegging van een ontwerp-bestemmingsplan of van een ontwerp-uitwerkingsplan als bedoeld in artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening;
Tervisielegging van een bovengemeentelijk project als bedoeld in artikel 40 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening;
Voorbereiding bouwvergunning als bedoeld in artikel 50 van de Woningwet.
Alle andere vormen van besluitvorming waarbij de toepassing van afdeling 3.4. van de Algemene Wet Bestuursrecht wettelijk voorgeschreven is.
In andere dan de hierboven genoemde gevallen kan het bestuursorgaan dat inspraak verleent
hetzij de procedure van afdeling 3.4 van evenredige toepassing verklaren, het voor de volgende facultatieve inspraakprocedure kiezen:
het bestuursorgaan stelt voor elk beleidsvoornemen, waarop inspraak wordt verleend een inspraakprocedure vast, die ten minste omvat:
de wijze waarop inspraakgerechtigden in staat worden gesteld hun zienswijze omtrent
het beleidsvoornemen naar voren te brengen en daaarover met het bestuursorgaan van gedachten te wisselen;
een termijnstelling;
de toepasselijke trede van de participatieladder als omschreven in de nota participatie—beleid;
Het bestuursorgaan kan de inspraakprocedure wijzigen in spoedeisende gevallen en in overige gevallen waarin de vaststelling van het beleidsvoornemen zulks vereist. Het geeft hiervan kennis overeenkomstig artikel 3:42 van de Algemene Wet Bestuursrecht.
Het bestuursorgaan legt het beleidsvoornemen en de relevante achterliggende stukken ter inzage op de in de gemeente gebruikelijke wijze gedurende een vooraf te bepalen periode.
Voorafgaand aan de terinzagelegging geeft het bestuursorgaan in een openbare publicatie kennis van de zakelijke inhoud van het beleidsvoornemen en geeft aan wanneer de stukken ter inzage zullen liggen en alsmede wanneer er gelegenheid zienswijze naar voren te brengen.
Inspraakgerechtigden kunnen hun zienswijze over het beleidsvoornemen naar keuze schriftelijk of mondeling naar voren brengen.
Het bestuursorgaan maakt verslag op als bedoeld in artikel 5 en maakt inspraakgerechtigden binnen een redelijke termijn , doch uiterlijk drie maanden na het verstrijken van de termijn, bekend of en hoe het de ingebrachte zienswijzen bij de definitieve besluitvorming betrekt.