Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2.

Artikel 8.

Herziening, opschorting, intrekking of terugvordering van de vervoersvoorziening

Onderdeel van Verordening bekostiging leerlingenvervoer Den Haag 2024

1. . De aanvrager is verplicht iedere wijziging, die van invloed kan zijn op de toegekende vervoersvoorziening, onder vermelding van de datum van wijziging, direct schriftelijk mede te delen aan het college. 2. . Als een wijziging van invloed is op de toegekende vervoersvoorziening, vervalt de aanspraak daarop en besluit het college of er aanleiding is een nieuwe vervoersvoorziening toe te kennen. 3. . Als de aanvrager niet voldoet aan het bepaalde in het eerste lid en het college een wijziging als bedoeld in het tweede lid vaststelt, waardoor blijkt dat ten onrechte een vervoersvoorziening is verstrekt, vervalt de aanspraak op de vervoersvoorziening terstond en kent het college al dan niet opnieuw een vervoersvoorziening toe. Het college deelt het besluit schriftelijk mee aan de aanvrager. 4. . Het college kan de ten onrechte genoten vervoersvoorziening van de aanvrager terugvorderen of verrekenen met een eventueel nog te verstrekken vervoersvoorziening. 5. . Het college kan een besluit tot het toekennen van een vervoersvoorziening geheel of gedeeltelijk herzien, opschorten of intrekken, als het college vaststelt dat: niet of niet meer is of wordt voldaan aan de voorwaarden en verplichtingen gesteld bij of krachtens deze verordening; beschikt is op grond van gegevens waarvan gebleken is dat die gegevens zodanig onjuist waren dat, waren de juiste gegevens bekend geweest, een ander besluit zou zijn genomen; de verstrekte vervoersvoorziening niet meer de meest passende vervoersvoorziening is; de leerling bij herhaling de aanwijzingen, die door of vanwege de uitvoerende vervoerder duidelijk kenbaar zijn gemaakt en betrekking hebben op de orde, rust, veiligheid en een goede bedrijfsgang, niet opvolgt; de leerling bij herhaling agressief gedrag vertoont of anderszins de orde in het vervoermiddel verstoort, onaanvaardbaar wangedrag vertoont of de veiligheid van het vervoermiddel en de inzittenden in gevaar brengt; of het vervoeren van de leerling leidt tot een onveilige situatie in het aangepast vervoer. 6. . De verantwoordelijkheid voor het gedrag van de minderjarige leerling berust gedurende het verblijf van de leerling in het aangepaste vervoer bij de ouders.

Rechtspraak bij dit artikel