Van de inkomsten en uitgaven van het openbaar lichaam wordt door het dagelijks bestuur over elk dienstjaar verantwoording afgelegd aan het algemeen bestuur, onder overlegging van de concept-jaarrekening met daarbij behorende bescheiden. Het dagelijks bestuur voegt daarbij een verslag van bevindingen van de accountant(s) overeenkomstig artikel 213 van de Gemeentewet.
Het algemeen bestuur stelt de jaarrekening vast in het jaar volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft.
Het dagelijks bestuur zendt de voorlopige jaarrekening voor 30 april van het jaar volgend op het jaar waarop deze betrekking heeft aan de raden van de deelnemende gemeenten.
Het dagelijks bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft, aan de raden van de deelnemende gemeenten en aan Gedeputeerde Staten.
Behoudens later in rechte gebleken onregelmatigheden, ontlast de vaststelling van de jaarrekening de leden van het dagelijks bestuur ten aanzien van het daarin verantwoorde financieel beheer.
In de jaarrekening wordt –overeenkomstig de in de desbetreffende begroting opgenomen verdeelsleutel‒ het door elk van de onderscheidenlijke rechtspersonen over het desbetreffende jaar werkelijk verschuldigde bedrag opgenomen.
HOOFDSTUK 10
Artikel 10.5
Jaarrekening
Onderdeel van Gemeenschappelijke regeling Veiligheidsregio Brabant-Noord 2024