Naar hoofdinhoud

Artikel 10.

Aanwijzen opstapplaatsen

Onderdeel van Beleidsregels leerlingenvervoer De Fryske Marren

In artikel 10 van de verordening staat dat het college opstapplaatsen kan aanwijzen. Bij het aanwijzen van opstapplaatsen houdt het college er rekening mee dat een opstapplaats zich bevindt op een veilige en beschutte locatie, op een redelijke loopafstand van de woning van de leerling en dat deze opstapplaats voldoende ruimte biedt voor een eventuele begeleider. Leerlingen dienen in principe op te stappen bij een opstapplaats wanneer de toegekende voorziening bestaat uit het vervoer per taxi(busje). Alle leerlingen die wonen binnen een straal van 2000 meter rond de opstapplaats worden ’s morgens door de ouders naar de opstapplaats gebracht en daar ’s middags, aan het einde van de schooldag, weer opgehaald. Hierop zijn een aantal uitzonderingen die op individuele basis worden beoordeeld. Denk hierbij bijvoorbeeld aan: als leerlingen zo beperkt zijn (lichamelijk en/of geestelijk) dat ze niet in staat zijn bij de opstapplaats op te stappen (op basis van bijvoorbeeld een medisch attest of een medische keuring). Denk hierbij bijvoorbeeld aan leerlingen die naar een school voor lichamelijk en/of meervoudig gehandicapte kinderen gaan als Lyndensteyn in Beetsterzwaag of in een gezinsvervangende opvang zitten etc.; als de thuissituatie van het kind begeleiding naar en toezicht bij de plaats niet toe staat (dit op basis van een advies van het Sociaal Wijkteam Jeugd); jonge leerlingen met zware problematiek; als de leerling de enige is in het dorp; kinderen die vroeg moeten vertrekken. Bijvoorbeeld kinderen die rond 7.00 uur worden opgehaald om naar Groningen te worden gebracht.

Rechtspraak bij dit artikel