Met betrekking tot het risicobeheer gelden de volgende algemene uitgangspunten:
De gemeente mag leningen of garanties uit hoofde van de “publieke taak” uitsluitend verstrekken aan door de gemeenteraad goedgekeurde derde partijen, waarbij vooraf advies wordt ingewonnen over de financiële positie en de kredietwaardigheid van de betreffende partij en waarbij zekerheden kunnen worden verlangd en nadere voorwaarden kunnen worden verbonden. Het debiteurenrisico wordt beperkt door uitzettingen tot één jaar te beperken tot tegenpartijen met minimaal een A-rating, lagere overheden, of door lagere overheden gegarandeerde instellingen, en tot uitzettingen vanaf één jaar te beperken tot tegenpartijen met een AA-rating;
Overtollige liquide middelen dienen in eerste instantie bij de schatkist te worden aangehouden. De gemeente kan uit hoofde van de treasuryfunctie ook middelen uitzetten bij andere decentrale overheden in Nederland indien deze uitzettingen een prudent karakter hebben en niet zijn gericht op het genereren van inkomen door het lopen van overmatig risico. Het prudente karakter van deze uitzettingen wordt gewaarborgd middels de richtlijnen en limieten van dit treasurystatuut. De gemeente mag geen leningen verstrekken aan de toezichthoudende provincie, zoals bedoeld in artikel 2, derde lid, van de Wet financiering decentrale overheden. Het zogenaamde in- en doorlenen met het enkele doel de middelen tegen een hoger rendement uit te zetten is verboden;
Het gebruik van derivaten is niet toegestaan.