Naar hoofdinhoud

Artikel 5

Benoemingsduur en zittingsperiode

Onderdeel van Verordening programmaraad

1. De benoeming van de leden geschiedt voor de duur van de zittingsperiode van de programmaraad, en gaat in op het moment waarop deze wordt aanvaard. 2. De zittingsperiode van de programmaraad eindigt op 1 januari 2002, de daarna volgende zittingsperiodes bedragen telkens vier jaren. 3. Aftredende leden zijn terstond herbenoembaar. 4. Voor degene die ter vervulling van een tussentijds opengevallen plaats tot lid wordt benoemd, geschiedt deze benoeming voor de duur van het restant van de lopende zittingsperiode van de programmaraad. 5. De voorzitter of secretaris die ophoudt lid te zijn van de programmaraad, houdt op het betreffende tijdstip tevens op voorzitter of secretaris van de programmaraad te zijn. 6. Een lid kan te allen tijde ontslag vragen. Het lid, aan wie op diens verzoek gevraagd tussentijds ontslag wordt verleend, blijft deel uitmaken van de programmaraad totdat het opvolgende lid de benoeming heeft aanvaard. 7. De gemeenteraad kan, de programmaraad gehoord, te allen tijde uit eigener beweging met onmiddellijke ingang aan een lid ongevraagd ontslag verlenen. 8. Het lidmaatschap van de programmaraad eindigt: door beëindiging van de zittingsperiode van de programmaraad; door overlijden; door tussentijds ontslag, als bedoeld in het zesde of het zevende lid van dit artikel; door het aanvaarden van een onverenigbare functie, als genoemd in artikel 3, vierde lid; door het niet langer meer voldoen aan de in artikel 3, tweede lid, genoemde benoembaarheidseisen. 9. Wanneer een lid komt te verkeren in de omstandigheid, dat deze niet langer meer voldoet aan de benoembaarheidseisen, of een met het lidmaatschap onverenigbare functie heeft aanvaard, geeft dat lid daarvan onverwijld schriftelijk kennis aan de gemeenteraad en de programmaraad.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel