Naar hoofdinhoud
1.. Als de maatwerkvoorziening noodzakelijk is verstrekt het college de goedkoopst adequate voorziening. 2.. De maatwerkvoorziening wordt alleen verstrekt als deze gezien de beperkingen van de cliënt, veilig voor hemzelf en zijn omgeving is, geen gezondheidsrisico’s met zich meebrengt en niet anti-revaliderend werkt. 3.. Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt: als voor de problematiek die aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat; als de cliënt de gevraagde voorziening voor de melding heeft gerealiseerd of geaccepteerd of de cliënt de gevraagde voorziening na de melding en vóór datum van besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd. Een uitzondering kan worden gemaakt wanneer: sprake is van een acute noodsituatie; en de cliënt of diens vertegenwoordiger uiterlijk binnen twee weken na het ontstaan van de acute noodsituatie, een melding bij het college heeft gedaan; en uit onderzoek blijkt dat de voorziening noodzakelijk en goedkoopst adequaat was. als de gevraagde voorziening al eerder aan de cliënt is verstrekt op grond van enige wettelijke bepaling en de normale afschrijvingstermijn van die voorziening nog niet verstreken is. Tenzij de voorziening verloren is gegaan door omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen of de cliënt de restwaarde van de voorziening die verloren is gegaan geheel of gedeeltelijk vergoedt; als deze niet hoofzakelijk op het individu is gericht; als de voorziening niet noodzakelijk was geweest wanneer de cliënt rekening had gehouden met bestaande en bekende beperkingen en de te verwachten ontwikkelingen daarvan. als deze niet langdurig noodzakelijk is, tenzij het gaat om hulp bij het huishouden of begeleiding, of een onomkeerbare situatie omdat de cliënt terminaal is; als de cliënt geen ingezetene is van de gemeente waar deze verordening van toepassing op is. 4. . In afwijking van het derde lid, onder g, richt deze verordening zich wat betreft maatschappelijke opvang en beschermd wonen op ingezetenen van Nederland die bij de gemeente ondersteuning zoeken. 5.. Geen woonvoorziening wordt verstrekt: als de beperkingen voortkomen uit de aard van de in de woning gebruikte materialen, de slechte staat van het onderhoud of de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de geldende wettelijke eisen; als de cliënt zijn hoofdverblijf niet heeft of niet zal hebben in de woning waaraan de voorziening wordt getroffen; ten behoeve van woonruimten die niet geschikt zijn voor permanente bewoning. Er kan dan wel een voorziening voor verhuizing en inrichting worden verstrekt; als het om voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten gaat, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte; als de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding was op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor de verhuizing is; als de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn beperkingen meest geschikte beschikbare woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is gegeven door het college; als de voorziening in het geval van nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kan worden. 6.. Bij de te verstrekken collectieve vervoersvoorziening wordt alleen rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving met een maximum van 1.500 kilometer op jaarbasis.

Rechtspraak bij dit artikel