Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk › Paragraaf 3.

Artikel 3.5

Laagfrequent geluid

Onderdeel van Gemeentelijk geluidbeleid Duiven

Laagfrequent geluid (lf-geluid) is geluid met frequenties beneden circa 100 Hz. Lf-geluid heeft eigenschappen waardoor het zich sterk van "gewoon" hoorbaar geluid onderscheidt. Het wordt slecht gedempt en kan nauwelijks worden afgeschermd. Gevelisolaties zijn er niet op afgestemd, door resonanties kan het lf-geluid tussen of in woningen versterkt worden en de richting ervan kan op het gehoor moeilijk worden vastgesteld. Er zijn veel bronnen die lf-geluid veroorzaken. De meeste lf-bronnen die hinder veroorzaken zijn echter een gevolg van de industrialisatie van de laatste eeuwen. Hieronder behoren bijvoorbeeld tal van motoren, pompen, (schud- )roosters, ponsmachines, gasturbines, ketelhuizen en transformatoren. Lf-geluid kan ernstige hinder veroorzaken. Per decibel toename is lf-geluid veel hinderlijker dan gewoon geluid. Langdurig blootstaan aan lf-geluid geeft geen gewenning, maar verergert de hinder. Een bijkomstig probleem is dat lf-geluid ook kan worden gevoeld, bijvoorbeeld in de ledematen, spieren, oogkassen of als druk op de maag of borst. Hierdoor kunnen er zich lichamelijke klachten voordoen. In de frequenties tussen 5 en 8 Hz kunnen zich zeeziekte verschijnselen voordoen. Indien lf-geluid wordt waargenomen wordt dit tegelijk als hinderlijk ervaren. Met andere woorden, wordt door een individu lf-geluid waargenomen, dan is er voor die persoon sprake van hinder. Dit houdt in dat de waarnemingsdrempel voor lf-geluid een belangrijke graadmeter is voor de beoordeling. Echter, de waarnemingsdrempel voor lf-geluid verschilt sterk per individu. Op grond van art. 8.11, lid 3 van de Wet milieubeheer mogen in milieuvergunning enkel voorschriften worden gesteld in het belang van de bescherming van het milieu. Uit jurisprudentie blijkt dat dergelijke voorschriften slechts mogen worden opgenomen in vergunningen, indien de te voorkomen hinder objectiveerbaar is. Ten aanzien van de objectiveerbaarheid van lf-geluid het volgende. Vast staat dat wanneer lf-geluid hoorbaar is, dit meteen ook hinder veroorzaakt. Bij welk geluidniveau lf-geluid hoorbaar is, verschilt per individu. Dit patroon is vergelijkbaar met geurhinder. Immers de concentratie waarbij mensen geuren waarnemen verschilt sterk per persoon. Overigens gaat de vergelijking voor andere factoren niet op. Zo zal bij geurhinder adaptatie optreden, hetgeen inhoudt dat bij continue blootstelling de gevoeligheid van de waarnemer afneemt. Bij lf-geluid is er zeker geen sprake van adaptatie. Bij het aspect geurhinder is het probleem van objectiveerbaarheid opgelost door de invoering van de zogenaamde geureenheid. Dit is die concentratie van lucht met een geur dat door 50% van een geselecteerd panel wordt waargenomen. De tijdsfactor wordt bij geurhinder meegenomen door toepassing van percentielwaarden. In de ‘NSG Richtlijn laagfrequent geluid’ wordt een referentiecurve gehanteerd als hulpmiddel om te kunnen vaststellen of een bepaalde klacht mogelijk gegrond of ongegrond is. De referentiecurve in wezen een weergave van de 90%-gehoordrempel bij oudere personen (50-60 jaar). Analoog aan het milieuaspect geur, ligt een grens van 50% meer in de reden dan 90%. Uit de ‘NSG Richtlijn laagfrequent geluid’ blijkt dat 50%-gehoordrempel voor alle tertsbanden 11 dB boven de 10%-gehoordrempel ligt. Als grenswaarde voor vergunningverlening wordt dus de meergenoemde referentiecurve vermeerderd met 11 dB gehanteerd. In de onderstaande tabel is zowel de referentiecurve als de grenswaarde weergegeven. Lf-geluid kan worden gemeten, doch het vergt praktijkervaring en goede apparatuur. De Handleiding meten en rekenen Industrielawaai 1999 is niet geschikt voor het uitvoeren van lf-geluidsmetingen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel