Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk › Paragraaf 4

Artikel 4.3

De toepassing van stil materieel en, zo mogelijk, stille technieken

Onderdeel van Gemeentelijk geluidbeleid Duiven

De geluidhinder kan worden verminderd door eisen te stellen aan materieel en zo mogelijk, aan bouwmethodes en -technieken. Motivering Door succesvol bronbeleid, eerst ingezet door nationale regelgeving vanaf de eerste circulaire bouwlawaai in het jaar 1981 en de afgelopen jaren ingebed in Europese regelgeving, is trapsgewijs de geluidsproductie van bouwmachines afgenomen en zal dit in de toekomst nog verder afnemen. Hiertoe strekt de „Regeling geluidemissie buitenmaterieel‟ van 20 augustus 2001. Dit is de implementatie van de Europese richtlijn 2000/14/EG betreffende de geluidsemissie in het milieu door materieel voor gebruik buitenshuis (PbEG L 162). In artikel 4 is opgenomen dat het verboden is om materieel in de handel te brengen of te gebruiken dat niet voldoet aan de in het desbetreffende artikel opgenomen voorwaarden. Belangrijk onderdeel ervan is de tabel waarin per type materieel de toegestane geluidsproductie (toelaatbaar geluidvermogensniveau) is vastgelegd. Met ingang van 3 januari 2006 is deze aangescherpt door het in werking treden van Fase II. Omwille van de leesbaarheid is onderstaand een fragment van het artikel weergegeven. Voor de volledige tabel van lid 1 sub d, evenals lid 2 en 3 wordt verwezen naar het originele document. Het is echter niet uitgesloten dat nog oud materieel in roulatie is. Hoewel de inzet van stil materieel wettelijk verplicht is, kan niet uitgesloten worden dat „oud‟ materieel wordt ingezet dat niet aan de regeling voldoet. „Oud‟ materieel kan nog in roulatie zijn. De inzet van stil materieel is alleen gewaarborgd als dat ook in de ontheffing APV verplicht wordt gesteld en vervolgens wordt gehandhaafd. Uit: Regeling geluidemissie buitenmaterieel (omwille van de leesbaarheid slechts gedeeltelijk weergegeven) In tegenstelling tot de inzet van stil materieel, kan de inzet van stille bouwmethodes en -technieken niet zonder meer gevergd worden. Het financiële kader van een bouwproject wordt bepaald door middel van een aanbestedingsproces en wordt uiteindelijk vastgelegd in het contract. Hierin liggen tevens de uitvoeringsmethoden en -technieken besloten. Dat vormt immers een basis voor de calculatie. Redelijkerwijs kan van een opdrachtgever, publiek (bijvoorbeeld Rijkswaterstaat) of privaat, niet worden gevergd dat deze alternatieve uitvoeringsmethoden (en - technieken) inzet als deze véél duurder zijn dan de gangbare methoden. Het „drukken‟ van damwandplanken, een trillings- en geluidsarme uitvoeringstechniek, is bijvoorbeeld aanmerkelijk duurder dan „trillen‟ en daarnaast minder nauwkeurig in de maatvoering. De gemeente kan wel een kosten/baten analyse hieromtrent verlangen als de inzet van alternatieve uitvoeringsmethoden en -technieken een serieuze optie is.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel