Naar hoofdinhoud

Artikel 3

Voorwaarden

Onderdeel van Regeling briefadres gemeente Heumen 2024

De aangifte van het briefadres wordt gedaan in de gemeente waar het briefadres zich bevindt op grond van de artikelen 2.38 tot en met 2.41 en 2.43 van de Wet BRP. De aangever verschijnt desgevraagd in persoon. De briefadresgever en briefadresnemer zijn verplicht om bij de aangifte van een briefadres alle benodigde stukken te overleggen als bedoeld in artikel 2.45 en 2.47 van de Wet BRP. Onder benodigde stukken als bedoeld in het tweede lid wordt in ieder geval verstaan: een geldig identiteitsbewijs van de aangever en een schriftelijke verklaring van de aangever met reden voor de aangifte en de te verwachten periode dat het briefadres noodzakelijk is; een geldig identiteitsbewijs of een kopie daarvan van de briefadresgever en een schriftelijke verklaring van instemming van de briefadresgever; een ingevulde en ondertekende vragenlijst briefadres, als het briefadres wordt gevraagd op grond van artikel 2, onderdeel a. een bewijs van de instelling als bedoeld in artikel 2, onderdeel b of d, dat de briefadresnemer bij de instelling is ingeschreven. een schriftelijke verklaring van de burgemeester waaruit blijkt dat opname van een woonadres niet wenselijk is, als het briefadres wordt gevraagd op grond van artikel 2, onderdeel c. Het college kan om nadere stukken verzoeken, als op basis van de stukken als bedoeld in het derde lid niet kan worden beoordeeld of de aangever op een briefadres kan worden ingeschreven.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel