Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4

Artikel 10.

Boete tijdens het inburgeringstraject

Onderdeel van Beleidsregels Wet Inburgering 2021 gemeente Weert

1.. Wanneer de inburgeringsplichtige de verplichtingen uit het PIP niet of onvoldoende nakomt, legt het college hem een boete op. 2.. Voor inburgeringsplichtigen gaat het om de volgende verplichtingen: deelnemen aan de voortgangsgesprekken; deelnemen aan activiteiten in het kader van de MAP en het PVT. 3.. Voor asielstatushouders gaat het daarnaast om de verplichting om deel te nemen aan de leerroute. 4.. Voordat de gemeente een boete oplegt, wordt onderzocht waarom de inburgeringsplichtige de afspraken in het PIP en/of de afspraken over de activiteiten die horen bij de leerroute niet nakomt. De inburgeringsplichtige krijgt een gesprek hierover of schriftelijk de gelegenheid een verklaring te geven. Het college volgt daarbij de procedure van artikel 5:50 Awb. 5.. Mede op basis van het gesprek met de inburgeringsplichtige dan wel zijn of haar schriftelijke zienswijze bepaalt de gemeente de mate van verwijtbaarheid. Als er sprake is van opzet, van grove schuld, van normale verwijtbaarheid of van verminderde verwijtbaarheid stemt de gemeente de hoogte van de boete daarop af met inachtneming van artikel 7.1 van het Besluit: indien er sprake is van opzet, wordt de bestuurlijke boete vastgesteld op 100 procent; indien er sprake is van grove schuld, wordt de boete vastgesteld op 75 procent; indien er geen sprake is van opzet of grove schuld wordt de bestuurlijke boete vastgesteld op 50 procent; indien er sprake is van verminderde verwijtbaarheid wordt de bestuurlijke boete vastgesteld op 25 procent. 5.. De gemeente legt geen boete op wanneer aannemelijk is dat iedere verwijtbaarheid ontbreekt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel