De boerderijen zijn vanwege hun afmetingen en verschijningsvorm sterk bepalend voor het ruimtelijke beeld van het buitengebied. Windturbines met een ashoogte tot 15 meter zijn een vorm waarin een agrarisch bedrijf kan voorzien in een duurzame energievoorziening.
Bij toegevoegde functies aan een agrarisch erf houden we het agrarische erf zo compact mogelijk. Dit voorkomt dat het buitengebied te zeer versnippert. Windturbines plaatsen we daarom in of direct aansluitend op het bouwvlak. Ook gaan we uit van een logische en goede hiërarchie van de woon- en bedrijfsbebouwing. In het algemeen betekent dit dat het woon- en representatieve gedeelte aan de voorzijde ligt en toegevoegde functies achter de achterzijde van de oorspronkelijke boerderij. Dit is ook van toepassing op de plaatsing van windturbines. Deze plaatsing wordt mede ingegeven door milieuvoorwaarden (voldoende afstand tot woningen) en rendement (voldoende windvang). Dit betekent in de meeste gevallen dat de zuidwest, west of noordwestzijde van het achtererf het meest in aanmerking komt.
Boerderij erven hebben van oorsprong erfbeplanting. Vooral in de meer open en half open gebieden zorgen deze beplantingen voor een goede inpassing van het agrarische erf en herkenbaarheid van het bebouwingspatroon in het landschap. Ook maken deze beplantingen dat de samenhang van bebouwing, huiskavel en daarbij horende silo’s, verhardingen, schuren en ook windturbines wordt versterkt.
Het beleid is gericht op het handhaven en respecteren van de aanwezige ruimtelijke kwaliteit van compacte samenhangende boerderij erven met een duidelijke hiërarchie tussen voor en achtererf en een goede landschappelijke inpassing.
De ontwerpprincipes voor windturbines die hierna zijn opgenomen zijn hierop gericht.
Hoofdstuk 5
Artikel 5.2
Beleid, waardebepaling en ontwikkeling
Onderdeel van Regels omtrent het uiterlijk van bouwwerken zijnde windmolens in Achtkarspelen