In deze verordening wordt verstaan onder:
Weg:
de weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet 1994;
De – al dan niet met enige beperking – voor het publiek toegankelijke pleinen en open plaatsen, parken en plantsoenen, speelweiden en andere natuurterreinen, ijsvlakten en aanlegplaatsen voor vaartuigen;
De voor publiek toegankelijke stoepen, trappen, portieken, gangen, achter ontsluitingen, passages en galerijen, welke uitsluitend tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimten toegang geven en niet afsluitbaar zijn;
overige voor het publiek toegankelijke stoepen, trappen, portieken, gangen, achter ontsluitingen, passages en galerijen; de afsluitbare alleen gedurende de tijd dat zij niet door of vanwege degene die daartoe naar burgerlijk recht bevoegd is, zijn afgesloten.
Staanplaats: de dagelijks te ontruimen plaats waar, met behulp van een mobiele inrichting, kraam, tafel of ander voorwerp:
in de uitoefening van de ambulante handel, goederen te koop worden uitgestald of aangeboden, verkocht of verstrekt;
diensten worden aangeboden dan wel verricht;
goederen of waren van het publiek worden aangekocht of in ontvangst genomen;
reclame of propaganda wordt gemaakt ten behoeve van een commercieel, sociaal, liefdadig, cultureel, politiek of folkloristisch doel.
Vaste staanplaats: een staanplaats die voor één of meer dagdelen, voor maximaal 5 jaar tijd wordt toegewezen, ongeacht een beperking naar de periode van inname over een kalenderjaar.
Tijdelijke staanplaats: een staanplaats welke voor maximaal 2 maanden per kalenderjaar wordt toegewezen.
Dagplaats: een staanplaats voor een maximaal 3 achtereenvolgende dagen.
Staanplaatshouder: de natuurlijke persoon wie door of namens burgemeester en wethouders vergunning is verleend tot het innemen van een vaste staanplaats dan wel de natuurlijke persoon of rechtspersoon waaraan een vergunning voor een tijdelijke staanplaats of dagplaats is verleend.