Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 9

Artikel 26

Uittreding en opheffing

Onderdeel van Gemeenschappelijke regeling ABG-organisatie

1.. De colleges kunnen uit de regeling treden na verkregen toestemming van hun gemeenteraad met inachtneming van een opzegtermijn van twee kalenderjaren. 2.. De termijn genoemd in het eerste lid kan bij unaniem besluit van het bestuur worden verkort. 3.. Uittreding kan uitsluitende plaatsvinden per 1 januari van een kalenderjaar. 4.. De uittredende gemeente is een schadeloosstelling verschuldigd. Deze wordt vastgesteld door een commissie van een drietal onafhankelijke deskundigen welke wordt aangewezen door het bestuur. 5.. Op voorstel van het bestuur kunnen de colleges van de deelnemende gemeenten besluiten tot opheffing van de regeling. 6.. Het bestuur stelt een liquidatieplan op om tot opheffing van de ABG-organisatie te komen. Dit liquidatieplan wordt vastgesteld door de colleges van de deelnemende gemeenten, de raden van die gemeenten gehoord. 7.. Het liquidatieplan voorziet in de verplichting van de gemeenten tot deelneming in de financiële gevolgen van de opheffing. Het liquidatieplan voorziet ook in de gevolgen die de opheffing heeft voor het personeel van het openbaar lichaam. Indien de ABG-organisatie alle op haar rustende verplichtingen is nagekomen en een batig saldo resteert, dan wordt dit batig saldo aan de hand van de gehanteerde verdeelsleutel aan gemeenten uitgekeerd. Resteert een negatief saldo, dan zijn gemeenten naar rato van de gehanteerde verdeelsleutel gehouden deze verplichtingen op zich te nemen.

Rechtspraak bij dit artikel