Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 26, onder b. vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht wanneer
aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek het gebruik van een collectief systeem als bedoeld in artikel 26, onder a., onmogelijk maken dan wel
een collectief systeem als bedoeld in artikel 26, onder a., niet aanwezig is.
Hoofdstuk 5
Artikel 28
Het primaat van de collectieve vervoersvoorziening
Onderdeel van Verordening Voorzieningen Wet Maatschappelijke Ondersteuning 2007