Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 7.

Artikel 7.2.

Ondergrondse ordening bij de aanleg van kabels en/of leidingen

Onderdeel van Handboek kabels en leidingen 2024

1.. Bij de inrichting van de ondergrond moeten de belangen van diverse belanghebbenden en disciplines gewaarborgd worden. Een standaard dwarsprofiel is opgenomen in bijlage 12.2. Dit standaard dwarsprofiel is het uitgangspunt en wordt daar waar mogelijk toegepast. Indien dit niet mogelijk is wordt door de gemeente in overleg met de netbeheerders afgeweken van het standaardprofiel op basis van de uitgangspunten zoals bepaald in artikel 7.2.1 tot en met 7.2.3. Deze beknopte uitgangspunten die zijn gebaseerd op de NEN 7171-1 en de NPR-7171. Indien de uitgangspunten niet voldoen, dan wordt de volledige procedure van de NEN 7171-1 en NPR-7172 gevolgd. 2.. Bij uitbreidingsplannen moet in de planfase door gemeente en netbeheerders bepaald worden welke netten aangelegd worden of in de toekomst voorzien worden. 3.. Bij bestaande wijken moet bij werkzaamheden aan de boven- en/of ondergrond bepaald worden of dit een natuurlijk moment is om de ondergrondse ordening aan te passen. Hierin kennen we een onderscheidt: Vallend onder een Vergunning: Door de gemeente en netbeheerders moet afgewogen worden of alle netten die in de ondergrond liggen nog in gebruik zijn. Indien dit niet het geval is dan moet afgewogen worden of deze nog hergebruikt gaan worden of verwijderd worden als ze bijvoorbeeld te oud zijn om te hergebruiken (koperen kabels, AC leidingen of gietijzeren leidingen). Vrijgekomen ruimte moet of vrij blijven of toegewezen worden aan nieuw aan te leggen netten. Vallend onder Instemmingsbesluit: Hiervoor gelden de afspraken voortkomend uit de Uitvoeringafspraken Verwijderen Ongebruikte Telecomkabels (UVOT) laatstelijk vastgesteld op 12 maart 2020. 4.. Er is overleg nodig tussen de gemeente en netbeheerders om de ondergrondse ordening af te stemmen. 5.. Indien een net met gevaarlijke inhoud (WIBON) wordt aangelegd moet per leiding bepaald worden wat de specifieke eisen zijn en hiermee moet rekening gehouden worden bij de tracébepaling. 7.2.1.Uitgangspunten tracébepaling Bij de tracébepaling wordt voor alle disciplines ruimte gereserveerd. Bij de tracébepaling moet tevens rekening gehouden worden met de uitvoerbaarheid van de eisen die gesteld worden in dit Handboek. Er moet aandacht zijn voor andere kabels en/of leidingen die binnen het ontgravingsprofiel van de te leggen/verwijderen kabels en/of leidingen liggen. Indien er onvoldoende ruimte is voor de aan te leggen kabels en/of leidingen, dan is overleg met alle netbeheerders, de grondeigenaar en de gemeente nodig. Mogelijke maatregelen zijn: reserveren van meer ruimte voor tracé; bundelen/stapelen van kabels voor telecommunicatie (per netwerkbeheerder); het boven elkaar leggen van elektriciteitskabels; retour en afvoerleiding van warmtenetten dichter bij elkaar leggen; de onderlinge afstand van kabels en/of leidingen verkleinen; enkelzijdige aanleg van kabels en/of leidingen, waardoor beide kanten van de weg voor verschillende kabels en/of leidingen benut kan worden; het leggen van kabels en/of leidingen in kabelgoten of leidingtunnels; volgorde van kabels en/of leidingen aanpassen. 7.2.2.Uitgangspunten horizontale ligging Distributieleidingen liggen zoveel mogelijk in het trottoir. Rioleringen, warmtenetten en transportleidingen worden in het overige deel van de openbare weg gesitueerd. De volgorde van kabels en leidingen vanaf de perceelsgrens wordt weergegeven in de bijlage 12.2. Hierin zijn drie varianten opgenomen, bepaald door het toen geldende tijdsbeeld. Weergegeven zijn telecommunicatie, elektra, water, gas, warmte (in profiel 3 “gasvervanger” genoemd) en riolering. De onderlinge afstand tussen kabels en/of leidingen is minimaal 0,25 m. De afstand vanaf de perceelsgrens tot aan de eerste discipline is minimaal 0,45 m. In bermen langs wegen moet de afstand van de ligging van de kabels en/of leidingen tot aan de verharding ten minste gelijk zijn aan de diepteligging ervan. Distributie- en/of mutatiepunten mogen niet aangebracht worden in rijbanen, parkeerplaatsen, uitwegen, op kruisingen, ter plaatse van de in- en uitritten van percelen, binnen een afstand van 3,00 m vanaf bomen en (tenzij het vanwege netwerk technische redenen niet anders kan) in kabel- en leidingtracés. De distributie- en/of mutatiepunten dienen bij voorkeur geplaatst te worden in voetpaden of bermen. Voor bestaande situaties geldt de bestaande situatie. Bij de bepaling van het tracé moet rekening gehouden worden met bestaande bovengrondse bomen of andere groenvoorzieningen, zie de bomenposter in bijlage 12.1. 7.2.3.Uitgangspunten verticale ligging Kabels en leidingen hebben vanaf bovenkant leiding tot bovenkant maaiveld de afstand zoals weergegeven in bijlage 12.2. Hierin zijn drie varianten opgenomen, bepaald door het toen geldende tijdsbeeld. Weergegeven zijn telecommunicatie, elektra, water, gas, warmte en riolering. Indien kabels en leidingen elkaar kruisen distributiekabels en/of -leidingen liggen ondieper dan transportleidingen; vrijvervalleidingen hebben voorrang op drukleidingen; bij kruisingen van kabels en/of leidingen bedraagt de onderlinge tussenruimte (verticale afstand) tenminste 0,20 m; Er moet een strook tussen 0,65 m -mv en 0,80 m -mv vrijgehouden worden in verband met kruisende vrijverval rioolaansluitingen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel