Naar hoofdinhoud

Artikel 2

Algemeen afwegingskader

Onderdeel van Beleidsregels bopa

Burgemeester en wethouders verlenen in het algemeen géén omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (bopa) in de gevallen die in de artikelen 3 tot en met 5 van deze beleidsregels zijn verwoord, indien: een privaatrechtelijke belemmering als bedoeld in het Burgerlijk Wetboek aan het verlenen van omgevingsvergunning in de weg staat, waarbij de belemmering een evident karakter heeft; de activiteit waarop de vergunningaanvraag betrekking heeft, plaatsvindt in, aan, op of bij een bouwwerk dat in strijd met artikel 5.1 van de Omgevingswet is gebouwd of wordt gebruikt; de omgevingsvergunning tot gevolg heeft dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken onevenredig worden aangetast; de omgevingsvergunning tot gevolg heeft dat het samenhangend straat- en bebouwingsbeeld onevenredig wordt aangetast; de omgevingsvergunning tot gevolg heeft dat de (verkeers)veiligheid onevenredig wordt aangetast; de omgevingsvergunning tot gevolg heeft dat op het eigen erf onvoldoende ruimte overblijft voor het parkeren of stallen van auto's; de omgevingsvergunning tot gevolg heeft dat tussen het bouwwerk waarop de vergunningaanvraag betrekking heeft, en de op het aangrenzende erf aanwezige bebouwing een tussenruimte ontstaat die minder dan 1,00 m breed is, tenzij voldoende mogelijkheid aanwezig is voor reiniging en onderhoud van de vrij te laten ruimte.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel