Naar hoofdinhoud

Artikel 4

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Onderdeel van Beleidsregels bopa

1.. Voor een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voor de voorgevelrooilijn van een woning verlenen burgemeester en wethouders géén omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (bopa), indien: voor zover het bepaalde onder b niet van toepassing is, de hoogte van het bouwwerk meer bedraagt dan 1,00 m; voor zover het een constructie van onderling verbonden staanders ter ondersteuning en geleiding van planten of bomen betreft, niet zijnde een erf- of perceelsafscheiding, de hoogte van het bouwwerk meer bedraagt dan 3,50 m. 2.. Voor een bouwwerk, zijnde een erf- of perceelsafscheiding, verlenen burgemeester en wethouders géén omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (bopa), indien de hoogte van het bouwwerk, voor zover dit is gesitueerd achter de voorgevelrooilijn, meer bedraagt dan 2,00 m. 3.. Voor een bouwwerk in het bij een woonperceel behorende water ter plaatse van een aanduiding “aanlegsteiger” in het gebied van de woonwijk Goese Meer verlenen burgemeester en wethouders géén omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (bopa), indien: het bouwwerk tot gevolg heeft dat de bebouwde oppervlakte van het voor “Water” bestemde deel van het perceel meer bedraagt dan 50%; voor zover het bouwwerk mede bestaat uit aanmeerpalen, de bouwhoogte van de palen meer bedraagt dan 2,70 m boven NAP; de bouwhoogte van het bouwwerk voor het overige deel meer bedraagt dan 1,90 m boven NAP. 4.. Voor een bouwwerk in het bij een woonperceel behorende water ter plaatse van een aanduiding “aanlegsteiger” in het gebied van de woonwijk Goese Diep verlenen burgemeester en wethouders géén omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (bopa), indien: het bouwwerk tot gevolg heeft dat de bebouwde oppervlakte van het voor “Water” bestemde deel van het perceel meer bedraagt dan 35% of het absolute maximum van 25 m² overschrijdt; een groter deel dan 15 m² van het bouwwerk op een afstand van meer dan 1 m vanaf de oeverlijn is gesitueerd; voor zover het bouwwerk mede bestaat uit aanmeerpalen, de bouwhoogte van de palen meer bedraagt dan 2,70 m boven NAP; de bouwhoogte van het bouwwerk voor het overige deel meer bedraagt dan 1,90 m boven NAP. 5.. Voor een bouwwerk, zijnde een kleine windturbine, verlenen burgemeester en wethouders géén omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (bopa), indien: op het bouwperceel, niet zijnde een agrarisch bouwvlak, reeds een windturbine is geplaatst of vergund; de windturbine is gesitueerd in voorerfgebied; de afstand van de windturbine tot een grens met een naburig woonperceel kleiner is dan de hoogte van de windturbine; de windturbine is gesitueerd in, aan, op of bij een beschermd monument of in een beschermd stads- of dorpsgezicht; het een wiekturbine in een woongebied betreft. 6.. Voor een antenne-installatie ten behoeve van mobiele telecommunicatie verlenen burgemeester en wethouders géén omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (bopa), indien: de antenne-installatie is gesitueerd in een woongebied of in de directe nabijheid daarvan; koppeling van de antenne-installatie aan een andere grootschalige functie als een bedrijventerrein, een infrastructureel knooppunt of een sport- of recreatiegebied mogelijk is, gelet op de dekking van het telecommunicatienetwerk; sitesharing ofwel medegebruik van een reeds bestaande antenne-installatie mogelijk is, gelet op de dekking van het telecommunicatienetwerk; plaatsing van de antenne-installatie op of aan een hoogspanningsmast, wegportaal, reclamezuil, lichtmast, windmolen, sirenemast, schoorsteen of ander bestaand hoog bouwwerk mogelijk is, gelet op de dekking van het telecommunicatienetwerk; plaatsing van de antenne-installatie op een gemeentelijk eigendom of op een locatie die in eigendom of beheer is bij een andere overheid mogelijk is, gelet op de dekking van het telecommunicatienetwerk; het afwijken tot gevolg heeft dat een onevenredige landschappelijke verstoring plaatsvindt, in die zin dat sprake is van situering van de antenne-installatie in een open gebied en niet van aansluiting bij andere elementen in het landschap waartegen de antenne-installatie in bepaalde mate wegvalt.

Rechtspraak bij dit artikel