1. 1. De belasting wordt geheven:a. van de gebruiker van een perceel van waaruit water direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd; enb. van de gebruiker van een onroerend goed waarvan het verharde oppervlakte gelijk is aan of groter dan 1.000 m3, en waarvan het hemelwater wordt afgevoerd op de gemeentelijke riolering.
  2. 2. Met betrekking tot de belasting als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, wordt als gebruiker aangemerkt:a. degene die naar de omstandigheden beoordeeld het perceel al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt;b. ingeval een gedeelte van een perceel - niet een gedeelte als bedoeld in artikel 4 - voor gebruik is afgestaan: degene die dat gedeelte in gebruik heeft afgestaan.