Naar hoofdinhoud
1.. Het orgaan coördineert of draagt zorg, voor de uitvoering van de volgende taken: de benodigde afstemming en communicatie tussen publieke en private partijen betrokken bij de werelderfgoedsite, het stimuleren en coördineren van de bescherming en het behoud van de werelderfgoedsite Hollandse Waterlinies als geheel met het oog op het behoud en de langdurige adequate bescherming van de Outstanding Universal Value; het opstellen, actualiseren en uitvoeren van het managementplan van het werelderfgoed; de verantwoording naar het Rijk over zaken die rondom het werelderfgoed spelen; het nakomen van de rapportageverplichtingen naar UNESCO, bijvoorbeeld de zogenoemde ‘state of conservation-reports’ en de periodieke rapportage; het ondersteunen en faciliteren voor het samen met betrokken partijen beschikbaar krijgen van voldoende middelen voor de uitvoering van de managementmaatregelen; het bevorderen van visievorming ten behoeve van strategieën voor behoud en bescherming van de werelderfgoedsite en het hierin gezamenlijk opereren; het stimuleren van de onderlinge kennisuitwisseling en aanwezigheid van expertise op het gebied van ruimtelijke kwaliteit, zodat ontwikkelingen plaatsvinden met als uitgangspunt de Outstanding Universal Value en met inzet van kennis van het erfgoed en met ontwerpexpertise; het tijdig identificeren van en reageren op bedreigingen en ontwikkelingen met een langdurige of blijvende impact op de Outstanding Universal Value en erfgoed van het werelderfgoed; het versterken van het draagvlak, het verspreiden van kennis en het promoten van het werelderfgoed bij de betrokken overheden, stakeholders en in de samenleving, en het optreden als eerste aanspreekpunt voor en het betrekken van nationale overheden voor kennis en advies bij de uitvoering van het managementplan. 2.. Het orgaan kan bij de uitvoering van de taken, bedoeld in het eerste lid, beslissingen nemen die de colleges dan wel de provincies bestuurlijk binden. De colleges worden in de gelegenheid gesteld al dan niet tezamen binnen 20 werkdagen een zienswijze te geven op een ontwerp-beslissing. Het gemeenschappelijk orgaan stelt de colleges schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt voorafgaande aan het nemen van de beslissing waarover de zienswijze gegeven is. 3.. In het geval er beslissingen moeten worden genomen met dringende spoed worden colleges, in afwijking van de termijn bedoeld in het tweede lid, in de gelegenheid gesteld om binnen 15 werkdagen een zienswijze te geven op de ontwerp-beslissing. 4.. Tenzij het orgaan anders besluit, worden er geen andere besluiten dan de door de wet of in deze regeling bepaald, voorgelegd aan provinciale staten voor het naar voren brengen van zienswijzen. 5.. Uitvoering van de taken als bedoeld in het eerste lid, komt ten laste van de begroting van het orgaan, tenzij het orgaan bepaalt dat de betreffende activiteiten niet als gezamenlijk moeten worden beschouwd en derhalve voor rekening van de afzonderlijke provincies komen. 6.. Onverminderd het elders in deze regeling bepaalde hebben de provincies jegens elkaar de verplichting om te bewerkstelligen dat de verplichtingen, die zij als gezamenlijke siteholder moeten uitvoeren, worden uitgevoerd met het oog op de verwezenlijking van hun gemeenschappelijke doelstellingen. Een en ander conform de voorwaarden voor horizontale samenwerking. 7.. Ingezetenen van de provincies en belanghebbenden worden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid op grond van deze regeling al dan niet langs elektronische weg betrokken, voor zover dat bij of krachtens wet is vereist, of voor zover door het orgaan bepaald. 8.. Het orgaan kan een ander proces van participatie dan bedoeld in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht bepalen; 9.. Het orgaan betrekt de reacties in haar besluitvorming en maakt kenbaar wat het met deze reacties heeft gedaan.

Rechtspraak bij dit artikel