Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3:

Artikel 3.

Bijbehorende bouwwerken (of uitbreidingen daarvan)

Onderdeel van Beleidsregel Buitenplanse Afwijkingsmogelijkheden Gemeente Vaals 2024

Uitgangspunt Voor het verlenen van een omgevingsvergunning in afwijking van het omgevingsplan komen in aanmerking: Een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan. Beleidsregel Artikel 3.1 en artikel 3.3 is niet van toepassing op recreatiewoningen 3.1 Afwijking bijbehorend bouwwerk bij woningen Een afwijking voor bijbehorende bouwwerken (of de uitbreiding daarvan) bij woningen is toegestaan, met dien verstande dat: Het bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding daarvan achter of in het verlengde van de voorgevelrooilijn wordt gebouwd, tenzij: het bijbehorend bouwwerk een garage betreft. Bij een garage dient tevens de afstand van de voorzijde van de garage tot het openbaar toegankelijk gebied tenminste 5 meter te bedragen. het bijbehorend bouwwerk een carport betreft, in welk geval het bijbehorend bouwwerk voor de voorgevelrooilijn mag worden gebouwd, mits 1. de overschrijding maximaal 2 meter bedraagt, en 2. de afstand van de voorzijde van de carport tot het openbaar toegankelijk gebied minimaal 5 meter bedraagt. het bijbehorend bouwwerk bij een patiowoning wordt geplaatst, in welk geval het bijbehorend bouwwerk voor de voorgevelrooilijn mag worden gebouwd, mits de voor een patiowoning kenmerkende buitenruimte behouden blijft. Voor wat betreft de bouw- en goothoogte van dergelijke bijbehorende bouwwerken geldt als uitgangspunt dat de bouw- en goothoogte van het hoofdgebouw niet overschreden mag worden en het stedenbouwkundig beeld niet onevenredig mag worden aangetast. Ter beoordeling of hiervan sprake is wordt advies ingewonnen van de stadsbouwmeester. Indien het bijbehorend bouwwerk een carport betreft geldt dat de bouw- en goothoogte van de carport maximaal 3.30 meter mag bedragen. De gezamenlijke oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken maximaal 180 m² bedraagt, waarbij het achtererfgebied voor maximaal 50% bebouwd mag zijn; De afstand van het bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding daarvan tot aan het openbaar toegankelijk gebied minimaal 1 meter bedraagt; In afwijking van het bepaalde in 3.1.3 kan een gezamenlijke oppervlakte van maximaal 225 m2 aan bijbehorende bouwwerken bij een woning (functie Wonen) worden toegestaan, mits: bestaande gebouwen en bijbehorende bouwwerken aanwezig zijn waarvan de bestaande oppervlakte in totaal reeds meer dan 180 m2 bedraagt, en de uitbreiding niet meer bedraagt dan 20% van het meerdere als bedoeld onder 3.1.5 a, en de oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken na uitbreiding in totaal niet meer bedraagt dan 225 m2, waarbij het achtererfgebied voor maximaal 50% bebouwd mag zijn. 3.2 Uitbreiding bij andere gebouwen dan woningen Voor uitbreidingen bij andere gebouwen dan woningen geldt dat een afwijking van het omgevingsplan alleen mogelijk is, mits de noodzaak door de aanvrager is aangetoond en de overwegingen om af te wijken zorgvuldig zijn onderbouwd. 3.3 Afwijking voor een schuilgelegenheid Op gronden met een agrarische functie kan van het omgevingsplan worden afgeweken voor het oprichten van een schuilgelegenheid als bedoeld in artikel 1, onder voorwaarde dat: de schuilgelegenheid als een bijbehorend bouwwerk kan worden beschouwd bij een op hetzelfde perceel gelegen woongebouw; gelet op het bepaalde onder a op het betreffende perceel geen agrarisch bouwvlak is gelegen en de beweiding geen onderdeel uitmaakt van een volwaardig agrarisch bedrijf; de schuilgelegenheid een maximale bouwhoogte heeft van 3,20 meter en een maximale goothoogte van 2 meter. de schuilgelegenheid een maximale oppervlakte heeft van 20 m2; per perceel maximaal 1 schuilgelegenheid wordt opgericht; de landschappelijke inpassing van de schuilgelegenheid is verzekerd door een bij het landschap passende materiaal- en kleurkeuze; het materiaal van hout of ander natuurlijk materiaal dient te zijn en voldoet aan redelijke eisen van welstand; de schuilgelegenheid in beginsel wordt opgericht aan de rand van een perceel. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken, wanneer op het perceel één of meerdere (landschappelijke) elementen (bosschages, houtwallen/-singels, begroeiingen of erfafscheidingen) aanwezig zijn die, gelet op hun aard en omvang, zorgen voor een betere beeldkwaliteit wanneer de schuilgelegenheid ter plekke wordt geplaatst; het gebruik van het bouwwerk gericht is op een schuilgelegenheid en niet als stal c.q. schuur. Er mag geen opslag van stro, voer of andere materialen plaatsvinden; Ter bescherming en behoud van kenmerkende gebiedseigen natuurwaarden en landschappelijke kernkwaliteiten in beginsel geen schuilgelegenheid wordt toegestaan in de Ecologische Hoofdstructuur. Op een dergelijke manier blijft de kwaliteit van het landschap en de openheid van het landelijke gebied zo veel mogelijk behouden. Indien het (maatschappelijk) belang van een schuilgelegenheid passend bij het karakter en de doelstelling van het gebied kan worden aangetoond, kan er middels de ‘nee-tenzij methode’ toch een schuilgelegenheid worden toegestaan. Hiervoor geldt dan wel dat de verloren gaande waarden dienen te worden gecompenseerd.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel